Venetië, vertalingen, verplaatsingen – een verhaal van Abdelkader Benali

Poëzie vertalen, steden verplaatsen. Abdelkader Benali mijmert in dit voortdenderende verhaal over beide onderwerpen alsof ze één en dezelfde zijn. Of is dat misschien ook zo, is het vertalen van een alleszeggend gedicht gelijk aan het verplaatsen van een Europese wereldstad naar het Midden-Oosten? Verdwaal niet te lang in deze gedachtestroom, maar laat je vooral meevoeren in dit doldwaze verhaal.

Abdelkader Benali

10-11-23

8 min

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

Venetië

Is Venetië de meest beschreven stad in de wereld? Wat altijd terugkomt is de onverholen afgunst die de stad oproept. De aantrekkingskracht ervan is dat men zich lang na Venetië bezocht te hebben afvraagt of men die stad ooit echt heeft bezocht. Een stad die oplicht als fata morgana, en dan weer voor het geestesoog verdwijnt, een verduisterende mist onttrekt het aan alle waarneming, wat overblijft is een vermoeden. Hoe ben ik hier terechtgekomen? Samenloop van omstandigheden? Ook niet helemaal. Een Tunesische dichter wiens werk ik was begonnen te vertalen totdat tijdgebrek me dwong ermee op te houden, tipte me bij het consortium Al-Falak, de Dageraad. ‘Houd er rekening mee dat je gebeld gaat worden. Hun werkwijze mag misschien wat onorthodox overkomen. Maar als je het goed doet dan levert dat een prachtige klus op.’

‘Wat moet ik goed doen?’

‘Wat je het beste kan: de juiste antwoorden geven op ingewikkelde vragen.’ Haar poëzie sprak me aan. Het ging over de liefde, het ging over een bloedende wond, het ging over stilstaan voor een stoplicht en denken aan de verdwenen geliefde. Het was poëzie verteld aan een keukentafel, niet vanaf de kansel of in een auditorium. Voor mijn gevoel was dit nieuwe Arabische poëzie die ook in mijn land publiek verdiende. Wat ook hielp was dat ze al jaren in Nederland woonde, de taal vloeiend sprak en de mores kende. Wat is er mooier dan een Arabische dichter die voor een nieuwsgierig publiek haar eigen poëzie kan toelichten. In het begin stelde ze zich terughoudend op, later kwamen de telefoontjes en whatsappjes regelmatiger. Of er al schot zat in de poëzie? Ik durfde haar niet te vertellen over de verdwijntruc die ik aan het voorbereiden was. De haast die ik begon te voelen. Ik beloonde haar aanhoudende pogingen met een aantal vertalingen. Ze was gerustgesteld. Het ging ervan komen.

En toen belde ze op. Ik wilde niet opnemen, ik had haar niets bieden. Ze bleef bellen. Smileys. Ik belde terug.

Zo verleidde ze me door op het gesprek met de Arabieren in te gaan. Ze stuurde bloemen, zogenaamd om me te feliciteren met de vertaalde gedichten. Ik doorzag het meteen.

‘Ze willen iets doen dat nog nooit is gedaan. Hun drijfveer is niet alleen commercieel. Het is ook cultureel. Het is groots. Maar de aanzet is poëtisch. Een cadeau.’ Wat was er met ons gebeurd dat we gingen geloven dat een kopie het origineel kan overtreffen? Soms was ik zo in mijn nopjes met een vertaling van een van haar gedichten dat ik haar speels terugschreef dat het me gelukt was de meester te overtreffen, maar dat ze dat alleen kon waarderen als haar kennis van de ontvangende taal een duizelingwekkende hoogte zou nemen. ‘Dan pas zal je in staat zijn om echt te waarderen hoe ik jouw woorden heb kunnen vervangen door betere woorden die de nuance van jouw eerste schepping hebben getransponeerd, niet naar een andere schepping, maar een betere schepping, eentje die het onvolmaakte volmaakt. Maar je moet die uitdaging niet aannemen want dan zal je ook gedwongen zijn om dat gedicht weer terug te vertalen naar jouw taal. Je zult het weer thuis moeten brengen. Je bracht het naar het land van de haringen, de kazen en de tulpen; en je zult het moeten bevrijden om het te ontvoeren naar waar het vandaan kwam, Het Groene Tunesië, waar de Carthagers met de Romeinen sliepen.’ Als ik ervan overtuigd was dat er iets onveranderlijks was teloorgegaan, haar kunst, om mijn kunst te worden, kon ik de bundel dan niet beter onder mijn naam uitbrengen? Ik herinnerde haar eraan dat ze vaak had gezwegen wanneer ik haar vroeg naar de oorsprong van een woord, beeldspraak of beeld - ze vond dat ik haar overvroeg. ‘Er staat wat er staat. Ik heb er geen bedoeling mee. Probeer dat te vertalen. De lezer zal het begrijpen. Als niet met zijn hart dan met zijn grote teen.’

Zo verleidde ze me door op het gesprek met de Arabieren in te gaan. Ze stuurde bloemen, zogenaamd om me te feliciteren met de vertaalde gedichten. Ik doorzag het meteen. Ze sprak lovend over een aantal bevriende dichters die net als zij behoefte hadden aan goede vertalingen. Hoewel ze schreven in een taal die door meer dan honderd miljoen mensen gelezen werd, voelden ze zich opgesloten. ‘Vleugels doen de vogel vliegen. Het is ook waaraan we het dier “vogel” herkennen. Zo ook heeft poëzie vertaling nodig. Het laat het reizen. Maar we herkennen er ook het gedicht aan.’ Mooie woorden. Het klonk als een gedicht. Ik beloofde haar voort te maken met de vertaling. En na een avondje drinken stuurde ik haar een whatsappje dat de Arabieren met hun plan konden doorkomen. ‘Ze kunnen me mailen.’

Maar mailen deden ze niet. Ze kwamen met het vliegtuig. Ik werd opgehaald. Een type Mercedes dat ik nog niet eerder had gezien, er ging nauwelijks trilling van uit, de weg werd een kabbelende rivier. Ik vergat om me heen te kijken, vergaapte me aan de luxe binnenin. Ik drukte op het touchscreen voor me; was het wel zo verstandig om me zonder enige voorkennis te laten meevoeren? Ik dacht aan de bemoedigende woorden van de dichter. Ging het hier om een vrijblijvend gesprek? Of kon ik na afloop toch ook een factuur schrijven voor de geboden inzichten? Veel tijd om na te denken over de vervolgstappen had ik niet, het voertuig stopte voor een glimmend gebouw. De deur schoof open, ik stond weer in het daglicht. De ochtendmist waardoor ik aan het begin van de dag geen hand voor ogen kon zien was inmiddels opgeklaard, het waterige zonnetje deed echt zijn best om wat klaarheid te brengen. Als ik deze afspraak niet had gehad was ik een stukje gaan hardlopen, de mist achterna. Glanzende deuren gingen open. Het was alsof ik gedragen werd. In een achterafzaal, aan het einde van een lange gang, werd ik opgewacht door drie mannen, bijgestaan door vier vrouwen. De hiërarchie was duidelijk. De man in het midden droeg een donkerblauw pak over een lichtbruin overhemd, zijn bril was goudkleurig, waarschijnlijk ook van goud - de andere twee mannen droegen hetzelfde pak, maar de overhemden matchten met het kostuum - het privilege om af te wijken van de norm had hen nog niet bereikt. De hoofdrolspeler in deze ruimte was waarschijnlijk van koninklijken bloede. Bij elke beweging die hij maakte bewogen ze met hem mee, een choreografie van macht - hij en alleen hij bepaalde het zwaartepunt, tot in de lengte van dagen als dat moest, er hing zoveel af van zijn nukken, humeuren en het bangst waren ze natuurlijk voor hun dromen, want zijn droom werd uiteindelijk hun nachtmerrie. We gingen zitten in de Eames-stoelen. Het moest allemaal nog beginnen maar ik was al helemaal op. Misschien was de uitputting wel door ze ingecalculeerd; begrepen ze als geen ander hoe nerveus, onrustig en gestresseerd mensen raken van onverwachte ontmoetingen met onbereikbare macht. In de stoel voelde ik me een pionnetje. Het was een grote vergissing om hier naartoe te komen. Ze gingen over me heen walsen. Ik zou naar adem happen. Schreeuwen om bevrijding.

Het licht werd gedimd, een scherm van een meter breed en anderhalve meter hoog ging aan – wat verscheen was Venetië. Venetië door de eeuwen heen, van het moeras dat het was tot de trotse stadstaat die de wereld aan een touwtje had, tot de Instagram-hit waar nooit een einde aan zou komen. Toen kwam er een vloedgolf – uit het niets, zo leek het – en Venetië was weg. Het licht ging weer aan.

‘Wie zal deze beschaving redden?’ zei de Prins en hij vervolgde, in het Engels, ‘But since all things of men are in motion and cannot stay steady, they must either rise or fall; and to many things that reason does not bring you, necessity brings you.’ Dit schreef een wijs man vijfhonderd jaar geleden toen deze stad op het toppunt van zijn macht verkeerde, zijn naam is Machiavelli.

Noodzakelijkheid dwingt de mens zijn koers te verleggen. Dat geldt voor ons allemaal, waarom zou dat niet gelden voor een stad?

‘Ja, die ken ik wel,’ prevelde ik tussen neus en lippen door. Hoelang ging deze marteling nog duren? Ik was hier helemaal niet geschikt voor. Ik wilde niet onder de indruk zijn maar zijn manier van spreken dwong me om onder de indruk te zijn.

‘Noodzakelijkheid dwingt de mens zijn koers te verleggen. Dat geldt voor ons allemaal, waarom zou dat niet gelden voor een stad? Venetië is speelbal van de politiek geweest, speelbal van het aantrekkende toerisme en inmiddels ook speelbal van de klimaatverandering. Hoe je het ook wendt of keert deze stad is geen lang leven meer beschoren.’

‘Ik begrijp het,’ mompelde ik. Ik had de stukken in de krant gelezen. Deze stad gebouwd op water zou, afgaande op wat er ging komen aan temperatuurstijgingen, onherroepelijk afstevenen op een overstroming.

‘De stad kunnen we niet redden, de beschaving wel.’ Hij drukte nog een knop in. Wat ik zag blies me bijna uit mijn stoel. Het duurde nog geen anderhalve minuut.

De grootste inboedelverhuizing in de geschiedenis van de mensheid. Venetië verhuizen naar een postcode-adres in het Midden-Oosten. Toen zag ik voor het eerst iets van kinderlijkheid in dat miljardairsgezicht. Mijn onthutsing stelde hem zeer tevreden. Ik was gevangen in zijn droom. Het kon niet anders: totale heerschappij begon bij het je een weg boren in andermans gedachtenwereld, de plaats waar alles broeide, waar onze mythes, natte dromen, onderdrukte verlangens en grootste angsten verborgen zaten. Hij had die bron aangeboord, zijn Wil erin geplant en was niet van plan me er ooit nog uit te laten ontsnappen.

Abdelkader Benali

Abdelkader Benali (1975) werd geboren in Marokko en groeide op in Rotterdam. Hij debuteerde op 21-jarige leeftijd met de roman Bruiloft aan zee (De Arbeiderspers, 1996), waarvoor hem de Geertjan Lubberhuizenprijs werd toegekend. Zijn tweede roman, De langverwachte (Vassallucci, 2002), werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs.

Meer over Abdelkader Benali

Kees Holterman

Kees Holterman (1994) is kunstenaar, illustrator en printmaker uit Philadelphia, Verenigde Staten. Hij illustreerde eerder al voor onder meer The New Yorker, House of Vans en Miller High Life. Tegenwoordig woont hij in Utrecht.

Meer over Kees Holterman