Ballade van verloren vriendschap – een verhaal van Kyrian Esser

Iemand steelt een motor, is op de vlucht, voor zichzelf, voor een vorig leven misschien. In dit ontroerende verhaal zoekt Kyrian Esser de grenzen van vriendschap op en schetst hij hoe zelfs de meest intieme banden kunnen veranderen. Soms is de een al bezig met weggaan, terwijl de ander vast blijft houden aan wat er was.

Tags

Kort verhaal fictie
Beeld: Djanlissa Pringels

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

Ballade van verloren vriendschap

Het eerste wat ik stal was een motor. Het tweede een helm, die niet lekker zat en ik barmhartig terug aan de mensheid schonk. Het derde een tweede helm. Geen rijbewijs had ik. Wel een miljoen mijl modder in Mechelse greppels op mijn naam. Als ik een agent zag, zou ik de berm in sturen en verdwijnen in het woud.

Red pass, Tête Jaune Cache, Valemount, Canoe River. Ik reed westwaarts. Alles wat ik bij me had was niks. Sleutels van plekken die ver weg waren. Waar ik uit verwijderd was. Ja, alles wat ik had droeg ik op mijn lijf, zoals ik het tegenwoordig noemde. Of erin. Zoals het virus, dat zich pas na vijftig dagen openbaarde doordat mijn plas bruin kleurde als cola.

In Mechelen staan nu de lindebomen in bloei en in de vroege zomer komt er muziek uit de open ramen van het conservatorium, begeleid door de fontein die alleen aangaat als je langsloopt. De padvinders rennen door de Kruidtuin en de supermoto’s staan op een rijtje in de paardensteeg, nog gloeiend heet van de crossbaan – meer paardenkracht bij elkaar dan er ooit in de stallen heeft gestaan. Hun trotse bezitters zitten te blowen op de steigers aan de Dijle. Hoe vaak heb ik daar op haar staan wachten. Hoe vaak is die fontein wel niet voor mij aangesprongen.

Hier geen lofzang op het vaderland. Pathos groeit op onzin. Mijn vader hield van me, maar het hielp niks. Want hij wist niet hoe hij van een kind moest houden. Hij wist alleen hoe hij moest houden van Jameson, van niets doen, van vrijheid, seks misschien – met geile wijven – dagdromen en moppentappen wanneer er klasgenootjes over de vloer kwamen voor Disney-marathons tot diep in de nacht.

Zo begint onze vriendschap, op een hoop op de bank slapend, zij in haar ondergoed, ik in mijn tot op de draad versleten Planet Hollywood-shirt, mijn vader snurkend in de enige andere kamer. Lou wast mijn gymspullen en neemt ze weer mee naar school. Steeds vaker mis ik half met opzet de laatste bus. Eigenlijk kom ik stiekem bij haar wonen. Samen vallen we giechelend in slaap en samen worden we giechelend wakker. Ik mag luisteren als ze klarinet oefent voor het kinderconcours. Het is me een raadsel dat ze zo een instrument kan vasthouden en er dan een toon uit weet te krijgen, zelfs allemaal tonen in een bepaalde volgorde achter elkaar. Voor mij is dat een vorm van magie.

Mijn vader hield van me, maar het hielp niks. Want hij wist niet hoe hij van een kind moest houden.

Later kweken we spieren en kopen we veel te wijde houthakkershemden met korte mouwen, die we oprollen tot onze schouders. We drinken liters en liters Anker-bier op de steigers. Zo bewijzen we ons aan de oudere jongens, opdat we mogen helpen sleutelen – oliefilters en remvloeistof vervangen, ventielen afstellen. Maar dat is niet genoeg. We willen weten hoe het voelt als er tussen onze benen iets verbrandt. Daarom bouwen we onze eigen monsters, uit onderdelen van de zwarte markt.

Voor Lou is de motor een klarinet met vuurwerk. Al gauw laat ze me mijlenver achter zich. Ze verovert haar plaats in de competities, terwijl ik haar toejuich vanaf de tribune. Ik hou meer van de weg dan van de baan. Ik hou van de geheime gebruiken. De kleine begroetingen. Hoe motorrijders een secundaire, clandestiene, maar gedoogde, tweede verkeersader vormen. De zwarte magie van optrekken, voorkruipen, ontwijken en voor het verkeer uit rijden. Een motorrijder is iets dat eigenlijk niet mag bestaan.

Thunder River, Blue River, Clearwater, Blackpool. Donker water, heldere lucht. Helder water, donkere lucht. Ik reed westwaarts. Dat wil zeggen: tegen de wind in. Een bosbrand was de grens overgestoken en bedekte de heuvels tot diep in het binnenland met rook. Onmogelijk te zien welk uur van de dag of wat voor weer het was. De regen overviel me dus samen met de nacht en ik voelde hoe mijn sokken zich vol water zogen.

Toen, een stralend visioen. Een geel bord met tekst, daar geplant langs de kant van de weg, door de hand van een gunstiggezinde, net nog leesbaar: Kamers, geklimatiseerd, kabeltelevisie. Toch maar niet te hard op de rem gaan staan, gezien dat felle licht in mijn spiegel. Beter keren bij de eerstvolgende gelegenheid. Maar op de terugweg de vraag of ik niet gedroomd had. Gelukkig, daar doemde het gele bord weer op en achter het bord een oprit en achter de oprit een laag gebouw dat zich Auberge Motel Godard noemde. Het was eigenlijk de aanbouw van een stripclub. Druipend op rood tapijt wachtte ik tot de nachtportier mijn sleutel haalde en door de hal keek ik de eetzaal in, waar de tafels jaren geleden waren opgedekt en sindsdien onberoerd gelaten. Gesteven tafellinnen. De geur van de eetzaal van de meisjeskostschool.

Waarom mijn kleren toch vol gaten waren, vroeg een leidster op een ochtend. Mijn vader is een dromer, had ik gezegd, in plaats van: hij drinkt. In plaats van: ik slaap met hem in een bed en soms laat hij dan zijn peuk vallen. In plaats van: kadootjes in aluminiumfolie; plakband op m’n wondjes, two-minute noodles als avondeten en ontbijt; eindeloze wetteloosheid. Groei op, krast het kind in zijn arm met een scherp takje.

Onder elfjarigen doet op dat moment een mop de ronde die eindigt met: mijn vader werkt bij de McDonalds. Of misschien was het wel geen mop maar een reclame, die we maar blijven herhalen zonder te weten wat er nou leuk aan is. Mijn oma heeft de tampon uitgevonden, pocht Lou. Ik overtoep: mijn oma was de eerste in heel België met een borstvergroting. Dat vinden we grappig want we zijn te jong om te begrijpen dat het iets over ons zegt.

Is het niet wonderlijk hoe ik me later in jouw milieu ben gaan bewegen? Al mijn nieuwe vaders hadden de jouwe kunnen zijn. In Parijs dineerde ik met de dirigent van een wereldberoemd orkest. Hij liet me naar Montréal overvliegen. Daar ging ik naar het DoubleTree Hotel en nam ik de lift naar de elfde verdieping. Het was allemaal niet ingewikkeld: ik moest me uitkleden en naakt voor het raam gaan staan, de handen achter het hoofd. Ik mocht me niet bedekken. Het wond hem op dat iemand in de andere flats me zo zou kunnen zien.

Op dat moment, terwijl ik over de stad uitkeek, besefte ik pas hoe ver ik verwijderd was van alles wat ik kende. De wijken en de straten hadden dezelfde namen als waar ik was opgestegen. Ook hier was een Rue Saint-Denis, en een Quartier Latin, en ook hier spraken ze Frans. Maar ik kon de mensen nauwelijks verstaan en elke aanblik, elke straathoek was me vreemd. Het was of ik droomde en iets probeerde vast te pakken dat uit mijn vingers glipte.

Is het niet wonderlijk hoe ik me later in jouw milieu ben gaan bewegen?

De dirigent wilde dat ik sportoefeningen deed en nam mijn bloeddruk op. Daarna moest ik douchen en droogde hij me af. Hij controleerde mijn reflexen. Hij zei dat hij interesse had in het menselijk lichaam en de medische wetenschap. Ik zei dat ik menig operatiekamer van binnen had gezien. Hij voelde aan mijn littekens. Dat deden alle mannen. Hij vroeg of hij mij een injectie mocht geven. Ik stuurde op iets anders aan. Hij masseerde me. De geur van zijn lotion maakte me misselijk en ik verveelde me, dus ik pijpte hem. Na de afspraak nam ik mezelf sjiek uit eten in een Frans restaurant en daarna ging ik naar de bioscoop. Dit waren allemaal dingen die ik van Lou had geleerd. Vroeger kwam zoiets niet in me op. Ik wist dat bioscopen bestonden, maar ik had nooit bedacht dat ook ik erin kon bestaan. Toen ik weer buiten kwam was het al nacht. Ik besloot naar mijn hostel te gaan. Het rook er naar zweet en schimmel en de mannen in de slaapzaal snurkten in alle toonaarden. Doordat ik tijdens de film had geslapen was ik nu weer klaarwakker, dus ik nam een douche en ging terug de straat op. Later die nacht stal ik de motor. Ik wilde de bergen zien.

Bergen heb ik ook van Lou. Eind augustus nemen we de nachttrein naar Oost-Duitsland om er iets te doen wat ze wandelen noemt. Het komt erop neer dat we dagelijks vijfentwintig kilometer in de voetsporen van Casper David Friedrich afleggen en onze blaren verzorgen in een berghut vol hertengeweien. Die zomer draagt ze van die dunne katoenen herenboxers bij wijze van korte broek en ze heeft me een boek van Sylvia Plath kado gedaan dat ik in één ruk uitlees omdat alle boeken die ze me geeft over haar gaan. Ik was zo mager als een jongen, met nauwelijks meer dan plooitjes en op die zwoele zomeravond vond ik het prettig me bijna naakt te voelen. We verbazen de dorpsbewoners en hoteleigenaren met onze verschijning, alsof het niet erg genoeg is dat we een kamer delen en het ons niet uitmaakt als er geen gescheiden bedden zijn. Toch, denk ik nu, begon het die zomer al. Het wegdraaien.

De nachtportier van Auberge Motel Godard verscheen weer aan de receptie en gaf me mijn sleutel. Achter hem zat een klein raampje waarin de strippers opdoken om hem te vragen of hun pizza al was gebracht. Your puzza!, grapte hij en hij knipoogde naar mij omdat hij dacht dat ik ook een man was. In de kamers mocht je nog roken en er hing een grote spiegel tegenover het bed waarin ik me nauwkeurig kon bekijken. Omdat een mug me op mijn oog had gestoken was een wal nog groter dan de ander, maar het viel niet erg op, en wallen zijn sexy. Ik leek echt op James Dean vond ik.

Hoewel ik al drie dagen geen trek had, bestelde ik ook een van vet druipende pizza, maar na de eerste hap moest ik overgeven. Ik legde mijn kleren te drogen, keek The Late Late Show, dronk een sixpack cola uit de minibar en viel masturberend in slaap.

Toen Lou naar het conservatorium ging woonde ik al in Brussel en kwam ik haar elk weekend bezoeken. In een herinnering lig ik op haar bed, half-lezend half-dromend, en Lou zit op het balkon, drinkend, schrijvend aan een partituur in het oranje licht van de straatlantaarns. Ik zie dat ze naar me kijkt, maar ze kijkt niet echt, ze luistert naar de muziek in haar hoofd en ze merkt niet dat ze kijkt. Nu pas merkt ze het. Ze glimlacht en knipoogt zoals alleen zij dat kan. Iemand in de straat start zijn brommer en scheurt weg. Dan is het weer stil. Ik breng mijn armen omhoog en laat me in het kussen zakken. Een prettige en opwekkende zweetgeur stijgt op uit mijn oksels en ik krijg zin om me te vingeren. Ik doe het. Ik kom klaar, of bijna klaar. Lou ziet het, glimlacht en schrijft weer verder in haar partituur. Ik hou van haar. De kunst is om op tijd te stoppen. In de herinnering begint het te regenen en dan verzamelt ze haar papieren, staat op en neemt de fles wijn mee naar binnen. Ik wilde vangen hoe de lucht voelt deze avond, zegt ze, maar toen regende het en vielen er druppels op mijn partituur en dat leek me een betere neerslag van de werkelijkheid dan alles wat ik had opgeschreven… Zoals ik zei, ik hield van haar.

’s Ochtends deed ze altijd veel te veel bonen in de molen, alsof ze voor een weeshuis moest malen. Ze was daarin nooit voor verbetering vatbaar. Elke keer vulde ze dromerig de molen tot de rand, en dromerig maalde ze, zittend op de blauwe bank, slaapdronken, in haar boxer, ’s winters een joggingbroek, waterige oogjes, harde tepels, de afdruk van de lakens op haar arm. Schoonheid, schoonheid, schoonheid, schoonheid. Gouden ketting, soms die met kraaltjes. Zin om het kuiltje boven haar borst te likken. Zin om haar oorschelp te strelen. Laten we onze eigen feestdagen verzinnen, onze eigen tradities beginnen, uit jouw familie en de mijne. We verkleden ons voor Piratenpasen en ik pak de kerstkadootjes in aluminiumfolie in. Laten we samen op reis gaan. Ik denk dat we het goed zouden kunnen, met jouw geld en mijn overlevingsinstinct. En dan ergens neerstrijken en samen een gezin beginnen, waarom niet? We zouden het kunnen.

Ze rommelt in haar kast. Hier heb je een schone onderbroek viespeuk, zegt ze en werpt me die toe met de streepjes die ik zo leuk vind. Ja, we droegen elkaars kleren. Is dat niet de grootste vorm van intimiteit? Hoe kon je daar afstand van nemen. Draai niet van me weg! Draai alsjeblieft niet van me weg als ik mijn hoofd op je buik wil laten rusten en je omhelzing zoek. Schuif niet zo ver opzij als ik dicht tegen je aan kom zitten. Maak niet meer ruimte dan waar ik in pas. Waar komt toch die lucht tussen onze lichamen vandaan? Dat is niet onze lucht. Ik ruik je niet eens meer vanaf hier, terwijl ik zo vertrouwd ben met die geur. Ik woonde erin. Ik sliep erin. Natuurlijk sliep ik ook elders, in andere geuren, in andere huizen en hotelkamers, maar nergens viel ik zo makkelijk in slaap en nergens sliep ik zo diep als bij jou.

Toen ik wakker werd stond de televisie nog aan. Iemand vertelde over de mogelijkheid dat je in je leven door een klein zwart gat wordt geraakt zonder dat je het merkt. Zo klein zou het zijn, dat het waarschijnlijk alleen door de overwegende leegte in je atomen zou bewegen en niks zou raken, maar ik was er niet gerust op. Het leek mij typisch dat zo’n minuscuul zwart gat bij mij juist tegen een belangrijk proton of elektron zou aanbotsen en via een sneeuwbaleffect allerlei ernstige schade in me zou aanrichten. Ik was nog steeds misselijk, en toen ik ging plassen had mijn bloed de kleur van cola, ik bedoel mijn urine. Maar ik negeerde alle tekenen.

Op een dag geeft ze me een tasje met spullen. Mijn tandenborstel en nog wat kleren van mij die zich met de hare hebben vermengd. Ze is bezig met een scheiding, maar in mijn hoofd zijn we nog altijd tweelingbroers. In mijn hoofd is dit gewoon een vlaag van opruimwoede, zoals ik ze van haar gewend ben. Ik zie niet dat ik in dat tasje zit.

Louis Creek, Black Pines, Copper Creek. Cache Creek. Ashcroft. Opeens hielden de bergen op en begon de woestijn. Ik dacht dat ik een politieauto in mijn spiegel zag en stuurde de berm in, maar er was geen woud om in te verdwijnen. Alleen een rotsachtige dorre bodem.

Uit het politierapport van de RCMP, Ashcroft detachment:

Volgens de behandelend arts kwam patiënt (6 voet, bruin haar, bloedgroep A, geslacht X) binnen met schaafwonden en bloeduitstortingen op ellebogen, knieën, billen en schouders. Patiënt verklaarde te zijn gevallen, was gedesoriënteerd, bleek hoge koorts te hebben, verloor meermaals het bewustzijn, stabiliseerde later aan het infuus en viel in slaap. In jas en broek werden geen identiteits- of verzekeringspapieren aangetroffen. Alleen een label met vermelding van bloedgroep en de tekst: orgaandonatie: ja! Eerste onderzoek duidde niet op ernstig letsel, maar verkleuring van de urine leidde de arts tot een vermoeden van leverfalen of acute hepatitis. Bloeduitstortingen, flauwte en verwarring zouden ook hierdoor verklaard kunnen worden. Patiënt werd ter observatie gehouden. Uitslag van een bloedonderzoek wees op hepatitis A, een relatief onschuldige vorm van het virus, besmetting waarmee via intieme relaties of oppervlaktecontact in een onhygiënische omgeving kan worden veroorzaakt. Symptomen: flauwheid, verlies van eetlust, overgeven en geelzucht. Bij ontwaken verklaarde de patiënt al vijf dagen niet te hebben gegeten en van de motor te zijn gevallen. De dienstdoende verpleger belde de politiecentrale. Toen ik en mijn collega ter plaatse arriveerden was de patiënt echter verdwenen. De motor werd in een berm van de Trans Canada Hwy aangetroffen tussen Cornwall Rd en Lone Tree Creek. Het bleek om een gestolen voertuig uit Montréal te gaan.

Djanlissa Pringles

Djanlissa Pringels illustreert voor artikelen, boeken en commerciële projecten. Ook animeert ze illustraties voor video’s. Daarbij fotografeert ze ook voor de artikelen die ze zelf schrijft.

Meer over Djanlissa