De trap – een verhaal van Bertram Koeleman

Hoe ga je om met een gedeeld trauma? Meestal doe je dat ieder op je eigen manier, en dat kan behoorlijk botsen. In zijn vertrouwde, absurdistische stijl schreef Bertram Koeleman een pijnlijk winterverhaal over een stel dat elkaar niet meer lijkt te kunnen vinden na wat hen is overkomen.

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

De trap

Romana en ik zaten naast elkaar op de bank. Lapje lag zacht snorrend op haar schoot. Zij streelde het donkergrijze kopje. Soms rekte hij genoeglijk zijn voorpootjes voor zich uit, oortjes plat achterover. De vorm van het bekje leek een tevreden luie glimlach. Ik strekte mijn hand uit en krabbelde kort achter een oortje. Lapje keek verstoord op, schudde zijn kop en zei: ‘Hufter.’

De kat geeuwde, de schelproze welvingen van zijn verhemelte zichtbaar, en likte zijn mondhoeken. Daarna staarde hij me aan met zijn grote ogen, zo’n blik waaruit intense aandacht lijkt te spreken.

Ik keek naar Romana, toen weer naar de kat.

‘Hoorde je dat?’

Romana keek me niet aan, zei niets. De kamer was stil en donker.

‘De kat…,’ begon ik. Lapje sloot zijn ogen kort, geeuwde nogmaals, begon toen zijn oortjes te wassen. Tong langs het voorpootje, voorpootje langs het oor. En opnieuw en opnieuw. ‘Laat maar,’ zei ik.

Romana leek iets te zeggen, heel binnensmonds. Het had van alles kunnen zijn. Ik wilde haar vragen om het te herhalen, maar ik zou de irritatie niet uit mijn stem kunnen houden en dat zou haar weer irriteren en ik was te moe. Ik zette me af van de bank.

‘Ik ga naar bed,’ zei ik.

Romana zuchtte.

‘Wat wil je nou? Je weet toch dat ik er morgen weer vroeg uit moet?’

Ik bleef haar nog even aankijken. Toen ik de deur naar de gang opende glipte Krabbel de huiskamer in. Hij keek me kort, keurend aan en sprong op de armleuning van de bank.

‘Lul,’ zei hij.

‘Wat?’ zei ik.

Hij richtte zijn amberkleurige ogen op mij, starend, haast geschrokken.

‘Mrauw?’ zei hij en sprong op de zitting naast Romana.

‘Hé, poeziepoes,’ zei ze en begon ook zijn kopje te strelen. Krabbel leunde tegen haar hand. Hij leek mijn blik opzettelijk te vermijden. Zij ook, trouwens.

Ik ging naar boven.

Hoe voelt u zich vanmorgen?’ vroeg ik.

Wie doet u hier?

Het was rustig op de afdeling. Naast de deur van de personeelsruimte hing een zwart apparaatje waar je een druppel tegenaan moest houden. Ik gromde en keek de gang op en af. Achter een balie zag ik een hand, een glimp van donkerbruin haar. Even overwoog ik er naartoe te lopen, maar ik besloot dat het niet de moeite was. Ik had alleen maar een broodtrommel in een schoudertas bij me. Ik liep naar een trolley die verderop in de gang tegen de muur stond, legde mijn schoudertas op de onderste plank en begon de kar door de gang te duwen. Bij de eerste open deur duwde ik de trolley naar binnen. Er stonden vier bedden in de kamer, waarvan er in ieder geval drie leeg waren. Om de vierde was het gordijn dichtgetrokken. De vitrage was geopend. Diffuus zonlicht deed het wit in de kamer trillen. Alles leek op het punt te staan in licht op te lossen.

‘Goedemorgen,’ zei ik tegen de figuur in het bed.

Het was een zeer oud persoon en in eerste instantie was niet te zien of ik met een man of een vrouw te maken had. Ik haalde de status uit de bak aan het voeteneind en opende hem op de eerste pagina. Mevrouw Ducrot. Ik had het er niet uitgehaald. Kort, wit haar, bruine gelooide huid, witte snor. De mond hing open. Geen tand of kies te zien.

‘Goedemorgen, mevrouw Ducrot,’ zei ik en de melkachtige ogen gingen open.

Ik bladerde verder in de status. 86 jaar. Bloedwaarden. Recent hartfilmpje. Incontinentie. Drie jaar geleden een TIA.

‘Hoe voelt u zich vanmorgen?’ vroeg ik.

‘Wie doet u hier?’

De stem leek niet bij haar te horen. Ook had haar mond niet bewogen. Achter mij was een hoofd uit het gordijn gegroeid. Een stevige dame in witte broek en shirt, Crocs aan haar voeten, balpen en horloge in haar borstzakje, hevige couperose op wangen en kin.

‘Wie bent u?’

Voorzichtig sloot ik het dossier en legde het op de grijze deken. Ik glimlachte en knikte minzaam, eerst naar de vrouw in het bed, toen naar de zuster, toen schuifelde ik tussen bed en zuster door naar de trolley, greep mijn schoudertas en begon de kamer te verlaten. Even dacht ik dat ze me zou laten gaan, maar toen voelde ik een vlezige hand om mijn onderarm.

‘Hé, dat gaat zomaar niet,’ zei ze.

Ik bleef glimlachen terwijl ik me probeerde los te rukken, een keer, twee keer, dat werkte niet, ik greep een huidplooi op de rug van haar hand en kneep, kneep tot ze me losliet. Beschaafd wegsluipen was inmiddels geen optie meer. Ik rende de kamer uit en de gang door en pas toen ik de schuifdeuren door, de oprit af, de hoek om, de straat uit was, durfde ik mijn pas te vertragen.

Romana zat aan de keukentafel, haar hoofd op haar onderarmen. Haar lange zwarte haar hing ongewassen, vol klitten, tussen ons in. Ze zei niets, ook al was ik veel korter weg geweest dan ik had aangekondigd. Ik ging naast haar zitten en keek naar de zwarte randen onder haar korte nagels. De tatoeage van een engeltje aan de binnenkant van haar rechterpols. Na verloop van tijd legde ik mijn vingertoppen op de hare, maar zij trok haar hand meteen terug. Ik wilde iets zeggen, maar ik kon niets bedenken waar ze op zou reageren. In de huiskamer lag Lapje op haar rug op de bank, pootjes naar alle windstreken. Ik kwam bij haar zitten en wreef haar zachte witte buikje. Een timide snorren begon en ik glimlachte toen ze diep zuchtte. ‘Klootzak,’ zei ze.

Ik meldde me bij de personeelsingang van de supermarkt. Drie jongens van een jaar of zeventien in blauwzwarte truien stonden te roken. Hun gesprek stopte toen ze mij zagen. Ik knikte hen toe. Ze keken me leeg aan. Toen ik langs hen wees, het magazijn in, wenkbrauwen omhoog, wisselden ze spottende grijnzen uit. De jongen in de deuropening stapte theatraal opzij en liet me door. Ik hoorde ze achter mijn rug praten. Er werd binnensmonds geproest.

Ik liep tussen rolcontainers en pallets door tot ik bij een deur kwam. Ik keek naar links en naar rechts en nog een keer, toen liep ik in een kalm, onopvallend tempo de winkel in. Ik zorgde ervoor dat ik geen nadrukkelijke bewegingen maakte. De schaarse klanten keken me niet aan. In het derde gangpad dat ik passeerde zag ik een rolcontainer met frisdrank, gewikkeld in plastic. Ik maakte een klein gaatje met de punt van mijn huissleutel en trok het plastic wijder en wijder, eerst met mijn vingers, toen met mijn handen, tot het geheel los hing van de rolcontainer. Ik tilde een tray Sisi van de stapel, zette hem voor het schap en begon de flessen in te ruimen, zorgvuldig stuk voor stuk, met het merk naar buiten. Pas toen ik aan de derde tray begon werd ik op mijn schouder getikt. Een man in zwarte pantalon met wit overhemd en blauwwit-gestreepte das keek op me neer, armen gevouwen voor zijn borst. Aan het eind van het pad stonden twee van de rokers de scène te bekijken, arrogante lachjes op hun afschuwelijke tienersmoelen.

‘Moordenaar,’ zei ze zacht, zangerig, haast liefkozend. ‘Moordenaar.’

Romana was in de slaapkamer. Ik hoorde haar mompelen. Ik bracht mijn gezicht dichter bij de kier; ze had de katten bij zich op bed. Krabbel lag aan haar voeten in een bal van pels, zijn kopje rustend op zijn staart. Lapje lag naast Romana op haar kussen, pootjes als een sfinx voor zich uitgestrekt, Romana’s mond heel dicht bij het pluizige oor.

‘Moordenaar,’ zei ze zacht, zangerig, haast liefkozend. ‘Moordenaar.’

Bij de middelbare school kwam ik niet verder dan de balie. Mijn excuus dat ik een nieuwe conciërge was werd ongeduldig terzijde geschoven. De bibliotheek, de speelgoedwinkel, het casino; overal werd ik binnen vijf minuten weer buiten gezet. In het café werd eerst lacherig gereageerd toen ik achter de tap kwam staan, maar toen ik na drie waarschuwingen van de uitbater nog niet aan de andere kant van de toog was gaan zitten, greep hij me bij mijn nek en onderarm en zette me de zaak uit.

Het langst hield ik het uit in de dagzaal van het bejaardencentrum. De ruimte was ingedeeld in een vijftiental kleine huiskamerdecors. Direct naast de ingang stond een dienblad op wieltjes met drie lagen waarop kop en schotels, thermoskannen en schalen met plakken cake stonden. Met een opgeruimde glimlach ging ik de tafels langs. De meeste mensen zaten duf voor zich uit te kijken, een enkeling maakte een woordzoeker of bladerde in een tijdschrift. Een keer kwam er iemand langs, zij keek de zaal binnen, zag mij staan, ik stak opgewekt mijn hand omhoog in een gebaar van ‘collega’ en zij beantwoordde de groet en liep door.

Toen ik de hele zaal van koffie, thee en cake had voorzien reed ik de kar terug naar zijn plek naast de deur. Met mijn handen in mijn zij overzag ik mijn werk. Nog altijd kwam niemand me halen. Geen van de bewoners had me gevraagd wie ik was. Ik liep een paar gangen door, maar de mensen die ik tegenkwam knikten alleen maar. Ze gingen er waarschijnlijk vanuit dat ik op bezoek was bij familie.

Romana lag op de vloer van de kinderkamer, haar hand gleed in lome banen langs de kanten biezen van de wieg. Het engeltje op haar pols steeg en daalde, steeg en daalde. Ik keek op haar neer, toen ging ik naast haar zitten. Het rook er naar nieuwe verf. Er werd aan de deur gekrabd, nog een keer, toen zei een kat ‘teringlijer,’ en toen niets.

‘We zullen een keer moeten praten,’ zei ik. Na de stilte klonken mijn woorden als kleine detonaties.

'Waarom. Het is niemands schuld.’

‘We hoeven ook niet over schuld te praten.’

Ze richtte zich op, steunend op haar ellebogen. ‘Het heeft geen zin om erover te praten. Het was domme pech.’

Ik keek naar de nutteloze handen in mijn schoot. ‘Ik snap niet hoe je dat kan zeggen.’

‘Jij wil dat ik zeg dat het jouw schuld is. Dat ik met mijn vuisten tegen je borst stomp en je afschuwelijke verwijten maak. Maar dat ga ik niet doen. Dus ga de stad in, laat je lekker ergens afstraffen als je daar een kick van krijgt. En laat mij met rust.’

Ik huilde. ‘Maar hoe moeten we dan verder?’

Ze haalde haar schouders op. Haar mond trok. Ze ging iets wreeds zeggen, alleen maar om het gesprek af te breken. ‘Een nieuwe maken?’

Ik stond op en liep de kamer uit. Ik bleef staan bovenaan de trap, mijn hand op de leuning. Terwijl ik hier stond vielen overal in de stad kinderen van de trap, misschien stootten ze zelfs hun onvolgroeide hoofd tegen een muur of een trede, maar eenmaal beneden zouden de meesten keihard huilen of enigszins verdoofd opstaan, zonder ook maar een seconde te bedenken hoeveel geluk ze hadden gehad.

In de huiskamer liet ik me op de bank vallen en probeerde geen gedachten te hebben. Krabbel sprong op mijn buik, maakte zich met zijn klauwtjes een plek en ging liggen. Automatisch ging mijn hand naar zijn kop. Krabbel duwde zijn kop tegen de palm van mijn hand. Mijn gezicht was verhit, mijn ogen schrijnden.

Ik ging wat meer rechtop zitten, hield het kattenkopje in de kommen van mijn handen en fluisterde: ‘Heks.’ En nog een keer. Toen zei ik: ‘Kutmoeder.’ Dat herhaalde ik een paar keer. Toen zei ik: ‘Teef.’ Krabbel bleef me alleen maar aankijken, knorrend, ogen half geloken. Ik had kunnen weten dat het zinloos was. Natuurlijk zouden ze aan mij geen boodschap hebben. Ze waren haar katten, niet de mijne.

Kees Holterman

Kees Holterman (1994) is kunstenaar, illustrator en printmaker uit Philadelphia, Verenigde Staten. Hij illustreerde eerder al voor onder meer The New Yorker, House of Vans en Miller High Life. Tegenwoordig woont hij in Utrecht.

Bekijk hier de website van Kees

Meer over de auteur