Wat mentaal bestuurbare aanvalsdrones met de Gebroeders Leeuwenhart te maken hebben

Kinderlijke fantasiewerelden, sciencefiction en de realiteit lijken niet ver van elkaar af te liggen in dit dystopische verhaal van Maarten van der Graaff. De hoofdpersoon en Julian, twee tieners, zijn al sinds de basisschool met elkaar bevriend. Die zomer wordt in het dorp steeds vaker het witte busje gesignaleerd waarmee mannen naar de ‘Hallen’ worden gebracht, een militaire basis waarin mensen al slapend met hun gedachten aanvalsdrones besturen. 'Zodat wij hier kunnen leven zoals we leven,' volgens Julian. Op een dag slaat het noodlot toe: de hoofdpersoon in het verhaal voelt zich ernstig verraden en Julians oom wordt opgehaald om naar De Hallen te gaan.

Tags

Dystopie Vriendschap Fictie

Support ILFU en zorg voor de fictie bij de feiten

Maak een account

Naar dit verhaal kun je ook luisteren. klik op de afspeelknop hieronder om Maarten van der Graaff ‘Naar Nangijala’ te horen voordragen.

Naar Nangijala

De donkerbruine voordeur van Julians huis doet me denken aan een bungalow in een Amerikaans bos. Hij slaapt op zolder, waar het altijd schemerig is. In de achtertuin staan potten met naaldboompjes op grote tegels en een laag schuurtje, niet veel meer dan een dak boven een werkbank met appelstroopblikken vol schroeven, spijkers, tiewraps en verdwaalde knikkers. ’s Avonds roken zijn vader en moeder sjekkies onder dat dak en staren naar hun woonkamer alsof het de verte is. In Julians oude kamer, waar het veel minder donker is dan op zolder, slaapt sinds een paar weken zijn oom, die in de gevangenis heeft gezeten. Binnenkort wordt hij opgehaald door het witte taxibusje, dat in het afgelopen jaar al twee keer in het dorp is gezien.

Had ik wel verwacht, zei Julian pas, alsof hij dat soort dingen echt snapt.

Moet je oom serieus naar de Hallen?

Hij knikte.

Zodat wij hier kunnen leven zoals we leven, zei hij, met een overdreven volwassen uitdrukking op zijn gezicht. 

Het is maar vijf minuten lopen van mijn huis naar hier. Ik ga gamen met Julian en straks hebben we een avond met de mentorklas, gewoon op school, maar dan met frisdrank. In deze straat lijkt alles, iedere kleur, elk gevoel, op de tegels in het achtertuintje van zijn ouders, alles is die betegelde tuin, platgedrukt door het zonlicht, met eroverheen het oranje waas van de zonwering. 

Als ik bij Julian thuis ben zit zijn oom meestal televisie te kijken. Hij draagt nette, saaie kleren, wat ik niet vind passen bij iemand die in de gevangenis heeft gezeten: een trui met een overhemd eronder en een ribbroek. Op zijn neus staat een ouderwetse bril. Hij ziet er een beetje Russisch uit. Hij zou een geniale wetenschapper kunnen zijn die aan een nieuwe raket werkt om de Russen op Mars te krijgen. Vaak kijkt hij naar sciencefictionseries of documentaires, alsof hij de wetenschap mist, nu hij als Russisch genie in een klein dorp in de oude kamer van zijn neefje woont. Hij praat niet veel, maar als hij iets zegt klinkt hij rustig en een beetje verdrietig. En Rotterdams, wat minder goed past bij een Russische wetenschapper. Soms zie ik hem door de polder fietsen. Dan zwaait hij met een behaarde, trage hand. 

In het echt had ik geen broers of zussen. Ik had Julian en wat mensen op social media. Mensen die niet in het dorp woonden.

Door het voorraam kan ik niet goed zien of de oom thuis is, want de stoel waarin hij televisie kijkt staat in een gekke hoek van de woonkamer. Voor de achterdeur hangt een horgordijn. De vorige keren wist ik bij het opzijduwen van de flappen op een of andere manier meteen of hij er was: als het huis stil en leeg voelde was ik opgelucht, maar als er een soort spanning in de keuken hing riep ik alvast hoi, zodat hij niet zou schrikken. Nu de witte taxi hem binnenkort komt halen voel ik me een beetje schuldig. Je denkt er liever niet over na, zegt mijn moeder.

Julian en ik zitten al in de derde van de middelbare. De laatste tijd zie ik hem iets minder vaak buiten school. We kennen elkaar al heel lang. In de zomer tussen groep zes en zeven speelden we langs de sloten en dwaalden door de rustige straten en steegjes van het dorp. We kregen het idee dat er een andere wereld op de bodem van het meer lag, een schaduwdorp waar dezelfde mensen woonden als in het echte dorp, onderwaterstraten vol dubbelgangers die met happende monden over de onderwaterstoepen liepen. We probeerden er een glimp van op te vangen door op precies de goede plek in het water te staren, bij precies de goede lichtinval. Nangijala noemden we het, naar het land waar Jonathan en Kruimel heengaan in De gebroeders Leeuwenhart, een heel oud boek dat wij allebei lazen. In bed stelde ik me voor dat ik Kruimel was en lag heel stil onder mijn laken. Ik was ernstig ziek en zou binnenkort sterven, wat me een belangrijk gevoel gaf en soms echt aan het huilen maakte. Jonathan, mijn grote broer, zat aan mijn bed en vertelde over het land Nangijala, waar ik na mijn dood heen zou gaan: een prachtig land met kersenbomen, valleien en stroompjes, maar er zou een brand uitbreken en Jonathan zou eerder sterven. Ik wilde achter hem aan, naar Nangijala, afdalen in het meer, diep in de schaduwen. In het echt had ik geen broers of zussen. Ik had Julian en wat mensen op social media. Mensen die niet in het dorp woonden.

Die zomer pleegde Julian verraad. We hadden afgesproken om in de grote kuil te gaan spelen. Ik stond tegen een boom geleund en wachtte. Hij kwam niet opdagen en antwoordde niet op mijn berichtjes. Op mijn telefoon zag ik een post van Efe: Julian hing bij hem thuis op de bank en keek scheel naar de camera. Zo gedroeg hij zich altijd, als hij indruk wilde maken op mensen. De rest van de zomer zagen we elkaar niet. Ik ging in mijn eentje naar de grote kuil en af en toe naar de plassen om te zwemmen. Op een middag zag ik hem daar op een handdoek liggen, naast Efe en Noah. Ik was een tijdreiziger die naar zijn eigen jeugd kwam kijken, maar zichzelf niet terug kon vinden. Waarom lag ik daar niet, waarom lag Julian daar met die lange klote Noah en Efe, die altijd gilde? Nu zou ik, de zielige tijdreiziger, terug moeten keren naar de toekomst zonder mezelf te hebben gezien. Ik lag in het gras en bespioneerde ze, tot Efe me zag en mijn naam riep. Langzaam kwam ik overeind en stak mijn hand op. 

Een paar weken geleden was ik ziek en dacht op bed aan die vreemde zomer, onze spelletjes van vroeger en aan Nangijala. Ik droomde dat ik door de onderwaterstraten zwom, naar een vaag gloeiend licht toe en daarna bevond ik me opeens in de Hallen. Op het nieuws laten ze altijd alleen de buitenkant zien en een lang hek, maar in mijn droom liep ik tussen de bedden waarop de slapende mensen lagen. Af en toe legde ik de rug van mijn hand op een voorhoofd. De ruimte was zacht verlicht en heel groot. Een doodstil, koel Nangijala.

Een dag of vier later voelde ik me weer beter en ging ’s avonds naar Julian. Zijn ouders stonden in het schuurtje en rookten. Ik hoorde ze praten over de oom. Ze vroegen zich af hoe ze hem daar, in de Hallen, in slaap zouden brengen, als je het slaap kunt noemen, zei Julians vader. Ze bespraken het filmpje dat die avond voor het eerst werd uitgezonden. De voice-over zei geruststellende, maar ernstige dingen, je zag een man op een bed liggen, hij kneep nog even in de hand van zijn vrouw en sloot zijn ogen. Op dat moment stegen drie drones op en vlogen langs de kustlijn. Gek genoeg zag je helemaal geen schermen, geen machines of plakkers op het hoofd van de slapende man. Julian en ik liepen naar buiten en kwamen voorzichtig naast zijn ouders in het schuurtje staan. Ik keek naar de appelstroopblikken en snoof de geur van de rook op.

Hoe kun je nu in je slaap een drone besturen? vroeg Julian.

Dat weet ik toch ook niet, zei zijn moeder en trok haar vest dichter om zich heen. Zolang ze daar slapen zijn wij veilig, zei zijn vader.

Ik dacht aan de grote, schone bedden, de lichamen in de schemerige zaal. Julians moeder keek ons aan.

Wij moeten die mensen dankbaar zijn, zei ze. 

Ik duw de flappen van de hordeur opzij en voel het meteen. Gewoon groeten en doorlopen naar zolder. Ik probeer niet te sluipen en duw de deur van de keuken naar de woonkamer open. De oom kijkt naar een programma over een ruimteschip en rookt een sigaret. Dat mag helemaal niet, binnen roken, dat moet in het schuurtje, maar er is niemand anders thuis, dus waarschijnlijk zet hij straks de ramen open of spuit deo. Misschien denkt hij bij iedere sigaret: nog een laatste voor de witte taxi komt. Hij knikt naar me, ik denk een flauwe lach te zien en stel me voor hoe ze hem op zo’n groot bed leggen. Even voel ik een soort opwinding en vind hem dapper, een kalme held. Ik denk aan het filmpje. De camera zoomt uit, de muziek zwelt aan: gelukkige gezinnen in parken, vrienden op terrassen, stelletjes die gearmd langs grachten lopen.

Op zolder is Julian aan het gamen, een remake van een oud spel. Zoals altijd vecht ik met Kuma, een grote beer. Julian kiest voor Jun, een vrouw met zilveren kleding, omdat haar naam een beetje op die van hem lijkt, wat ik een domme reden vind. Je moet de beste vechter kiezen. We spelen en praten niet veel. Julian lijkt me expres niet aan te kijken, maar houdt zijn ogen op het scherm gericht. In de laatste ronde ben ik er niet bij en laat ik Jun Kuma in elkaar meppen. Zijn grote berenlichaam gaat tegen de grond. Julian smijt zijn controller weg en gaat op bed zitten.

Wat vind jij van hem?

Ik vind hem wel oké, zeg ik.

’s Nachts hoor ik hem soms gillen.

Op school zeggen mensen dat hij iets heel ergs heeft gedaan.

Julian knikt.

Nu kan hij iets terug doen voor de samenleving. 

Na het gamen moet ik naar huis om te eten. Aan tafel zit ik altijd tegenover mijn moeder. Ze slaapt al heel lang slecht. Pas zag ik haar voor de zoveelste keer op haar telefoon naar het filmpje kijken, met een vreemde blik, alsof ze jaloers was op de slapende mensen.

De oom staat lang en stil te wachten in de gang. Ik zie nog net hoe de behaarde hand zich terugtrekt in de beige jas.

Twee jaar in de Hallen, volgens een artikel op internet is dat het maximum voor onvrijwillige diensttijd. Nog twee jaar middelbare school voor ons. Ik vind het opeens kort en denk aan wat erna komt. Natuurlijk, ik wil naar de Randstad, maar ergens wil ik het ook niet. Dat zal vast normaal zijn, maar daar heb je niks aan; iedereen vertelt je altijd maar dat alles wat je meemaakt normaal is. Julian stuurt een berichtje. Zijn vader kan ons toch niet naar de avond op school brengen, dus heeft hij de oom gevraagd. 

Precies op tijd parkeer ik mijn fiets voor het huis, zodat we meteen kunnen vertrekken. Ik ga niet achterom maar druk op de bel naast de bruine voordeur, die vanzelf open lijkt te gaan. De oom staat lang en stil te wachten in de gang. Ik zie nog net hoe de behaarde hand zich terugtrekt in de beige jas. Julian roept van boven dat hij eraan komt, nog even gel in zijn haar doen. Het is onmogelijk om over de drempel te stappen. Ik wil iets terugroepen naar Julian, maar blijf staan en zwijg, tot ik mijn eigen stem verwrongen uit mijn keel hoor komen.

Waarom moeten de piloten in de Hallen slapen?

De oom trekt zijn wenkbrauwen op. Het is alsof ik naar een boom kijk die zijn bast fronst.

Wat ze moeten doen is afschuwelijk, zegt hij, dan kun je beter slapen.

Tijdens de rit over de dijk is het stil. Ik denk aan die keer dat ik hem zag fietsen, zijn blik op het asfalt gericht. Dan zie ik hem in bed liggen, in die grote zaal. De slapende piloten worden niet moe, ze twijfelen niet. Ze glimlachen. Hij parkeert de auto voor het hek van de school.

Veel plezier, zegt hij. Ik ben er weer om halfelf. 

Na de zomer waarin we naar Nangijala zochten hebben we het nooit meer over Julians verraad gehad en nooit meer over Nangijala. Als ik langs het meer loop vraag ik me af of hij er ook nog aan denkt, of hij, net als ik, soms nog in het water tuurt. In groep zeven pakten we de vriendschap op alsof er niets was veranderd. Af en toe hingen we zelfs rond met Efe en Noah, maar zij gingen uiteindelijk naar een andere middelbare school. Ik scrol nog wel eens langs een filmpje, een foto, of zie ze door onze straat naar het voetbalveld lopen. Best vreemd eigenlijk, hoe vaak je aan mensen denkt die je al lang niet meer kent.

De tweede roman van Maarten van der Graaff

Op 5 mei verschijnt de roman 'Onder asfalt', een dystopisch verhaal dat zich aspeelt in een recent verleden en een ongrijpbare toekomst, waar we ons al middenin bevinden.

Lees meer