Koos – een verhaal van Kim Karssen

Koos is acht jaar oud en vastbesloten om te verdwijnen. Of in elk geval om de vliegen. Met zelfgemaakte eikenhouten vleugels komt dat vliegen wel goed, maar verdwijnen? Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Theatermaker Kim Karssen schreef voor ILFU een geestig kinderverhaal over een zwaar onderwerp.

Tags

fictie
Beeld: Djanlissa Pringels

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

KOOS 

Als je iets bouwt om mee te vliegen zijn er een hoop problemen in het leven opgelost.
Zoals de bus missen bijvoorbeeld.
Of niet weg kunnen van een plek waar je heel graag weg wilt.
En een lekke band is ook geen probleem meer. 
Maar als je iets bouwt waarmee je jezelf kan laten verdwijnen, dan is alles opgelost. 
Zelfs Nigel uit groep 5.

‘Jij wil gewoon naar het heelal!’ 
Dat was Nigel uit groep 5.
Koos was op school aangekomen met haar nieuwe vleugels. 
Massief eikenhout, dit weekend zelf gemaakt in de tuin met haar nieuwe hamer.
Oké, toegegeven, de vleugels waren plan B geweest. Plan A was natuurlijk een verdwijnmachine, maar ja, ze was pas net 8 en het was niet gelukt om dit weekend een verdwijnmachine uit te vinden. Nog niet! Wat verwachten mensen tegenwoordig van een 8 jarige? Haar opa was 81 toen hij verdween. 
Dus Koos zat net, met haar vleugels om, lekker te kletsen met Tops over hoe graag ze wou verdwijnen toen Nigel aan was komen lopen om deze onwaarheid in haar gezicht te schreeuwen. 
‘Nee hoor’, zei Koos.
‘Wel!’ Nigel bleef schreeuwen. 
‘Nee, ik wil verdwijnen.’
‘Dat is hetzelfde!’
Wat een domme opmerking, natuurlijk was dat niet hetzelfde.
Het heelal was een plek, verdwijnen was GEEN plek.
Dat vond Koos een nogal groot verschil.

Maar Nigel was niet zo goed in verschillen. Koos had Nigel een keer een halfuur tegen een fiets zien schoppen. Waarschijnlijk omdat hij niet doorhad dat het een fiets was en geen voetbal. Waarom zou je anders tegen een fiets schoppen? 
Daarom zag Koos het niet zitten om het verschil tussen een plek (het heelal) en geen plek (sowieso niet het heelal) uit te leggen aan Nigel. Ze had Nigel namelijk ook weleens tegen Thijs zien schoppen. Dat leek haar ook een vergissing maar ze had geen zin om door Nigel voor een voetbal aangezien te worden. Misschien moest ze Nigel een voetbal cadeau geven en er VOETBAL opschrijven, dan was iedereen in een klap een stuk veiliger. Maar die had ze nu nog niet, die voetbal, dus wou ze nu vooral zo snel mogelijk verdwijnen. 

Een tijd geleden had haar opa iets gebouwd waar je mee kon verdwijnen.
Maar hij had het zelf als eerste uitgetest en toen was hij verdwenen.
En als je verdwenen bent kan je aan niemand uitleggen hoe dat ding wat je hebt gebouwd, vlak voor je verdween, nou eigenlijk precies werkt. En waarschijnlijk was hij ook vergeten een verschijnknop in te bouwen in zijn machine, want hij was niet teruggekomen, terwijl hij wist dat Koos ook wou verdwijnen. Opa was nogal verstrooid.

Het waren klassieke beginnersfouten.
Spijtig, maar zo gaan die dingen.
En nu was hij dus verdwenen.
Koos was niet per se boos op haar opa, wel op Karin.

Karin was een meisje uit de klas van Koos met de naam Karin! Koos vond Karin eigenlijk een naam voor moeders, dus dat was sowieso al verdacht.
Maar daarom was ze niet boos op Karin.
Het was niet eerlijk om boos te worden op iemand alleen vanwege haar naam.
Ze was boos op Karin omdat ze tegen de hele klas had gezegd dat haar opa niet verdwenen was maar gewoon dood.
‘Koos’ opa is gewoon dood! Net als mijn cavia, Silvia, die is ook doodgegaan. Die was helemaal stijf en koud.’
Koos wist heus wel dat dit natuurlijk ongelooflijk grote onzin was, maar ze werd er toch boos van.
Want veel kinderen uit haar klas waren niet zo slim als Koos en snapten niet dat Karin onzin praatte over haar opa. En dat haar cavia waarschijnlijk alleen maar had gedaan alsof hij dood was, omdat hij zo graag weg wou bij Karin, maar geen machine had om mee te kunnen verdwijnen en zelfs geen vleugels tot zijn beschikking had om mee weg te vliegen.
Arme cavia Silvia!
En trouwens: Silvia, wat een rare naam voor een cavia! 

Koos vond het cool dat haar opa een verdwijnmachine had uitgevonden.
Opa was een leuke opa geweest.
Hij zat altijd vol grappen.
Zo vol, dat de grappen er steeds uit kwamen.
Aan tafel, in het park, in de auto en zelfs als er nette grote mensen bij waren.
En vooral… als die grote mensen nét weg waren.
Dan kwamen ze er allemaal tegelijk uit!
En dan rolden Koos en opa over de grond van het lachen. 
Soms miste Koos opa meer dan dat ze hem cool vond. 
Dat missen vond ze stom. Want ze wou daardoor nog meer verdwijnen, maar ja, ze had nog steeds geen verdwijnmachine uitgevonden. En misschien zou dat wel nooit lukken zonder opa. Dat maakte haar dan nog bozer en misser op opa. 
Opa mis misser mist. 
Misschien zou Koos wel nooit verdwijnen. 

De kat was wel een keer verdwenen, dat wist Koos nog heel goed.
Ze hadden een kat, een grote grijze met strepen.
‘Echt een jager!’ 
Dat zei papa altijd.
Koos wist niet zo goed waarom hij dat zei, want ze had de kat nog nooit iets zien vangen. Behalve kattenbrokken, maar dat is niet echt vangen, dat is meer oprapen. Of eigenlijk gewoon eten wat je geserveerd wordt. 
Het was wel een leuke kat!
En toen, op een dag, was hij er niet meer.
Ze hadden overal in het huis gezocht; zelfs op zolder en ook in het schuurtje met spinnen.
En bij de buren gevraagd of zij de kat gezien hadden.
Ze hadden gerammeld met de bak waar het voer in zat en geroepen
‘Kaaaat waar ben je?’
‘Kaaaaaat, kom nou!’
‘Katje katje katje?!’
Maar hij was niet meer teruggekomen.
Koos was eerst verdrietig geweest, maar nu vond ze het heel gewoon dat ze geen kat meer hadden.
Soms vergat ze zelfs een beetje dat hij er ooit wel was.
Als zij zou verdwijnen, zouden de mensen dan ook naar haar op zoek gaan?
Zou papa rammelen met de pannenkoekenpan en roepen:
‘Koooos, waar ben je?! Als je terugkomt krijg je pannenkoeken!’
Zou mama zoeken op haar kamer, onder het bed en op zolder? en in het schuurtje? Nee, niet in het schuurtje. In het schuurtje zitten spinnen, daar zou koos neverdenooitniet gaan zitten. DOEI!  
En zou de juf roepen ‘Koos, als je nu niet komt, moet je sommen maken!’?
Nee dat zou dom zijn, dan zou Koos mooi niet terug komen. HA.
Of zouden de mensen Koos ook gewoon vergeten, net als zij de kat stiekem een beetje vergeten was.
Mmmmm, dat is niet de bedoeling natuurlijk.
Koos wil wel gezocht worden!
Of niet?
Was het juist lekker rustig dat ze niet gezocht zou worden
Misschien was de kat daarom wel verdwenen: omdat het lekker rustig was.
Hoe was de kat eigenlijk verdwenen?
Zou de kat wél weten hoe je iets moet bouwen om mee te verdwijnen?
Net als opa?
De kat was wel een stiekemerd geweest, dat zei mama altijd als hij eten had gestolen uit de keuken. 
‘Hee stiekemerd, dat is onze vis! Nee, niet! Hee! Losss ! Looooos!’ 
Dan kwam ze de keuken uit, haar ogen omhoog gerold en haar handen in de lucht.

En dan zei papa altijd met zo’n radiostem: 

‘Luisteraars! Vanavond worden er op De Vergierdeweg 197 pannenkoeken gegeten, want eerder deze avond is de vis op miraculeuze wijze verdwenen. Niemand heeft een spoor gezien. De vermoedelijke dader is een stiekemerd van middelbare leeftijd. Dit was het 6-uurjournaal.’ 

‘Mam,’ vroeg Koos. ‘Als je dood bent, ben je dan verdwenen?’
Mama zat met haar hoofd in een keukenkastje en kwam er verstrooid uit met een tang in haar hand. ‘Umm weet ik niet, nou ja… wel een beetje. Jij bent er niet meer, maar je lijf is er nog wel natuurlijk. Voor eventjes, na een tijdje gaat dat ook weg of wordt het meestal opgeruimd.
Dus dan misschien wel ja.’
Mmm? Koos dacht na. Dit verdwijnen was toch niet echt wat zij zelf bedoelde. Koos had het meer over een soort van 'poef! verdwenen!'-verdwijnen of een soort 'vlooeoep'-verdwijnen. En niet over verdwijnen met daarna nog dingen opruimen.
Nee, echt verdwijnen, zonder rommel.

‘Wat ben je eigenlijk aan het doen, Koos?’ 
Mama keek verbaasd naar de tafel die vol papier, lijm en kleurpotloden lag.
‘Ik schrijf brieven. Voor opa en de kat.’
'O? Uhm, waarom?’
‘Voor advies!’ Koos keek haar moeder aan.
'Waarover?'
‘Over het bouwen van mijn machine natuurlijk.’
'En waarom vraag je advies aan opa en de kat?’
Dat vond Koos een vreemde vraag. 
‘Omdat ze allebei verdwenen zijn natuurlijk.’
‘A! Oké, en hoe ga je de brieven naar hen sturen?’

Ao! Nee!
Hoe stuur je brieven aan verdwenen mensen en katten?
Kak!
Daar had mama Koos met haar neus op de feiten gedrukt. 

Nigel had geen moeder. Dat wist Koos.
Althans, dat dacht Koos.
Want ze zag hem altijd alleen met zijn vader en zijn broers.
Misschien was zijn moeder wel verdwenen. 
En was Nigel daarom de hele tijd zo boos.
Als Koos haar moeder zomaar zou verdwijnen zou Koos ook boos zijn. 
Wat moest er dan met haar? 
Mama deed best veel thuis.
Ze bracht Koos weg en haalde haar op en timmerde en maakte soms eten.
En!
Ze vond altijd alle spullen die kwijt waren in huis. Als mama er niet meer was, wat zou er dan met die spullen gebeuren?
Ze zouden waarschijnlijk niet gevonden worden en dus net als mama voor goed verdwijnen. 
En dus zouden alle spullen in het huis langzaam verdwijnen tot Koos en papa uiteindelijk niets meer over zouden hebben. Alleen een kaal huis. En misschien wat schadelijk kledij. Zoals in de middeleeuwen. 
Daarom was Nigel misschien wel zo boos! 
Waarschijnlijk was niet alleen zijn moeder verdwenen, maar ook al hun spullen en zaten hij, zijn broers en zijn vader in een kaal huis zonder moeder! Als dat haar zou overkomen zou Koos meteen willen verdwijnen, maar ja, zonder spullen en zonder moeder kon je natuurlijk al helemaal niks bouwen om mee te verdwijnen! Je kon waarschijnlijk zelfs geen vleugels bouwen! 
Wat een hel. 

'Waarom heb je die stomme vleugels steeds om? Je vliegt nooit’, zei Nigel. 
‘Wel hoor.’ 
‘O! Wanneer dan?’
Nigel had zijn gezicht heel dicht bij dat van koos, dat rook raar, zo’n dichtbij gezicht. 
‘Gewoon thuis.’ 
'Ja, ja! Echt niet, je liegt!’ 
‘Nietes!’
‘Laat zien dan!’ 
‘Ik vlieg liever zonder pottenkijkers!’ had Koos geschreeuwd en toen gaf Nigel een schop tegen een van haar vleugels. 
‘Au!’ riep Koos. 
‘Je bent gewoon stom!,’ riep Nigel.
‘En jij bent gewoon boos omdat je zelf geen vleugels kan bouwen omdat al jullie spullen verdwenen zijn, omdat je moeder verdwenen is!’
‘Mijn moeder is niet verdwenen, mijn moeder is dood!’

Daar was Koos heel erg van geschrokken, en ze was weggerend met een gekneusde vleugel bungelend aan haar rug.  

‘Maaam! MAAAM! MAMA!
‘Koos! Wat is er? Hee, je vleugel is stuk?’
‘Nigels moeder is helemaal niet verdwenen!’
Mama ging door haar knieën en keek Koos rustig aan met een bedenkelijk gezicht. 
‘Nee…  dat weet ik. Ze is dood. Dat gebeurt soms. Dingen die leven, die gaan dood.’
Koos en mama waren even stil geweest. 
‘Zielig.’  
‘Ja zielig, hè, voor Nigel.’
‘Mam, als ik verdwijn, komen jullie me dan zoeken?’
‘O! Ja zeker! Maar doe maar niet hoor, verdwijnen, dan zou ik je zo missen. Ga lekker vliegen, dat is veel leuker!’
Koos keek naar haar kapotte vleugel.
Mama zag dat dat niet meer kon. 
Koos begreep opeens wel dat Nigel overal tegen aan wou schoppen, ze had daar nu ook wel zin in eigenlijk.
‘Fikkie stoken? Of fietsen?,’ opperde mama. 
‘Schoppen?,’ vroeg Koos voorzichtig.
Haar moeder dacht even na... en zei toen: ‘Als het tegen een bal is!’

Misschien moest Koos toch maar een bal kopen voor Nigel. 

Djanlissa Pringles

Djanlissa Pringels illustreert voor artikelen, boeken en commerciële projecten. Ook animeert ze illustraties voor video’s. Daarbij fotografeert ze ook voor de artikelen die ze zelf schrijft.

Meer over Djanlissa