De eerste keer dat ik over crip-theorie hoorde, was tijdens mijn bachelor Literatuurwetenschappen. De docent introduceerde het college met het motto ‘Het intieme wordt intellectueel’, een zin die een diepe indruk op mij maakte. Crip-theorie (van het Engelse cripple) is een kritische benadering van ons fysieke gestel en daagt onze opvatting uit over wat een ‘gezond’, ‘normaal’ of ‘afwijkend’ lichaam is. Toen ik de opgegeven teksten las, gebeurde er iets wat ik niet kende van eerdere academische stof waar ik me doorheen had geworsteld: ik verslond ze. En ik verwonderde me over de persoonlijke verhalen van de auteurs. Kon dit gedeelte van mijn leven ook onder theorie vallen? Kon mijn lichaam, en niet enkel mijn intellect, waardevol zijn binnen de academische sfeer? Crip-theorie bracht me een geheel nieuwe kennisbron: het schrijfproces zélf. Het vergaren van ervaring, het zoeken naar woorden, het omzetten van pijn, frustratie en intimiteit in taal: alles werd onderdeel van het denken. Het intieme werd, inderdaad, intellectueel.
Sindsdien is er een interesse, misschien wel een obsessie, in mij opgelaaid: een drang om taal en teksten te verzamelen die deze belevingswereld weten te vatten. Taal die niet alleen mijn geest aanspreekt, maar ook mijn lichaam erkent als volwaardige bron van kennis.
Die obsessie herkende ik in de naamloze hoofdpersoon van Nachtschade, de debuutroman van Emma Laura Schouten, over een vrouw met chronische migraine. Het personage duikt de archieven in, op zoek naar vrouwen die haar voorgingen, en naar een taal om haar wereld te beschrijven. Ze intrigeerde me omdat ze me, los van onze gedeelde diagnose, aan mezelf deed denken – Nachtschade is in zekere zin een literaire zoektocht naar een taal van het lichaam: hoe creëer je een taal die de gehele belevingswereld van een chronische ziekte omvat?
Als vanzelf werd ik nieuwsgierig naar de auteur, hoe had zij de taal gevonden om hierover te schrijven? En waarom vermijdt ze zo halsstarrig om het beest bij de naam te noemen: migraine – want dat is het, weet ik.
Ik besloot het haar zelf te vragen.
Het begrip ‘migraine’ is voor haar te beladen, steekt ze meteen van wal wanneer ik haar spreek in de Buurtboerderij, zo ongeveer de laatste plek in Amsterdam waar je nog een kop thee voor twee euro kunt krijgen. Vrijwel iedereen kent wel iemand met migraine, waardoor er allerlei associaties aan die aandoening kleven en het woord in de praktijk vaak als synoniem voor ‘hoofdpijn’ wordt gebruikt. ‘Terwijl,’ benadrukt Schouten, ‘die term de belevingswereld van migraine helemaal niet dekt.’ In Nachtschade wil ze los van al die associaties vooral haar eigen beeld van die belevingswereld schetsen. ‘Mijn uitgangspunt was een personage dat aan de zijlijn van haar eigen leven staat, omdat de migraine zoveel ruimte inneemt – en omdat zij die migraine ook zélf zoveel ruimte laat innemen. Dat wilde ik op een literaire manier verbeelden door het abstracte begrip migraine te personificeren en zo letterlijk een fysieke plek in de roman te geven. Antaura was daarbij eigenlijk een toevalsbevinding,’ vertelt ze over deze oude Griekse demon voor migraine, waar ze tijdens haar onderzoek op stuitte. ‘Toen ik haar vond, wist ik meteen dat ze in het verhaal paste. Ze sluit ook goed aan bij het hoofdpersonage dat haar ziekte demoniseert – en daarmee, in feite ook zichzelf. Dat is haar valkuil: ze maakt een kwade entiteit van haar ziekte en ziet die als iets dat los van haarzelf staat.’