DIZZY
Ontmoeting #1 met het regenboogmeisje
Op de ochtend van de dag waarop de twaalfjarige Dizzy Fall overstak, er een vrachtwagen aan kwam en ze het regenboogmeisje ontmoette, ging alles mis. Sinds zij en haar beste vriend Lizard – die nu Tristan genoemd wilde worden, zoals hij eigenlijk heette – gescheiden waren, was Lizard-nu-Tristan populair, had hij een cool kapsel en een vriendin die Melinda heette.
Dizzy had niks.
Sinds hun zevende waren ze een duo geweest; ze waren op ontdekkingsreis gegaan naar elkaars diepste geheimen, hadden de hele lijst van moeilijkste nagerechten uit Pastry’s Magazine uitgeprobeerd en gedaan wat ze alle twee het liefst deden: op internet zoeken naar relevante zaken aangaande het bestaan. Lizards vakgebied was: weer en natuurrampen, terwijl Dizzy alles opzocht over alle andere coole dingen.
De laatste tijd hield ze zich met name bezig met heiligen die in trance konden zweven, yogi’s in de Himalaya die hun lichaam in steen konden veranderen en Boeddha, die zichzelf vermenigvuldigde en vuur uit zijn vingers kon laten komen (echt!). Als Dizzy over dit soort wauw-dingen las, begon het vanbinnen te zoemen en Dizzy wilde een zoemende ziel hebben. Een zoemend álles.
Ook hadden Dizzy en Lizard, voorafgaand aan hun scheiding, drie seconden gezoend om te kijken of ze de endorfine konden voelen waar Lizard online over gelezen had, of de spontane innerlijke explosies, waar Dizzy over had gelezen in een van de liefdesromannetjes die haar moeder altijd op de tweede rij in de kast zette, achter de literaire boeken, waar ook Dizzy’s lievelingsboek tussen stond: Leef voor altijd nu, met Samantha Brooksweather in de hoofdrol. Volgens Lizard had je niks aan die liefdesromannetjes, maar Dizzy vond ze geweldig. Ze kon niet wachten tot het zover was, tot haar ontembare vrouwelijkheid zou losbreken, het vuur in haar sluimerende oventje zou oplaaien en de vochtige passie in haar zou ontwaken, en, ook al had ze – anders dan Samantha Brooksweather – nog nooit in het echt een penis gezien, door die boeken wist ze alles wat je weten moest over het stijve lid, het gezwollen heft, de kloppende speer. Maar helaas, tijdens de zoen van drie seconden met Lizard hadden ze geen van tweeën iets gevoeld. Geen endorfine en geen innerlijke explosies.
Hoe dan ook, op die ochtend van die belangrijke dag van de eerste ontmoeting, zag Dizzy in de klas haar ex-beste-vriend Lizard-nu-Tristan stiekem appen met walgelijke nieuwe vriendin Melinda, waarschijnlijk over alle innerlijke explosies die ze hadden gevoeld toen ze elkaar op het schoolfeest drie weken daarvoor hadden gezoend. Dizzy had het met eigen ogen zien gebeuren; met dichtgeknepen keel zag ze Lizards hand naar Melinda’s hals gaan en toen hadden hun monden elkaar opgezocht. Sindsdien had Dizzy, wier mond nooit stilstond, op school bijna niets meer gezegd en als ze iets zei had ze het gevoel dat haar stem uit haar tenen kwam.
Maar wat viel er nog te zeggen? Dizzy’s moeder had haar een keer verteld dat de grote liefdes in je leven niet per se romantisch hoefden te zijn. Dizzy had toen gedacht dat ze al drie grote liefdes had: 1) haar beste vriend Lizard, 2) haar moeder, Chef-mama, en 3) haar oudste broer Wynton, die zo fantastisch was dat de vonken van hem afspatten. Maar wat nu? Ze wist niet dat mensen konden stoppen met van je te houden. Ze dacht dat vriendschap voor altijd was, net als materie.
Na de pauze – die Dizzy in het computerlokaal doorbracht om iets over mensen in Oost-Europa te lezen die zeker wisten dat iets of iemand erop uit was om op een bovennatuurlijke manier hun tong te stelen – liep ze de halve school door om naar een wc te gaan waarvan ze zeker wist dat niemand die gebruikte. Ze wilde vermijden dat ze langs Lizard-nu-Tristan en Melinda zou lopen, die de laatste tijd altijd bij het waterfonteintje stonden voor de wc’s die dichterbij waren, hun handen en zielen aan elkaar vastgeplakt. Maar toen ze de deur van de enige genderneutrale wc’s van de school openzwaaide, stond Lizard bij de wastafel.
Hij stond in zijn eentje voor de spiegel en smeerde een soort gel in zijn nieuwe haren, waardoor hij op alle andere jongens leek, en niet meer op de Lizard van een maand geleden, met wervelstormharen net als die van haar, en zijn eigen nerd-bezoekt-sciencefestival-look, ook net als die van haar. Hij had zelfs contactlenzen genomen, dus ze hadden ook niet meer dezelfde zwarte tientonner-Clark-Kent-brillen. Ze wilde de oude Lizard terug, de jongen die haar over atmosferische lichtzuilen en witte regenbogen vertelde en die op één dag minstens vijfhonderd keer tegen haar zei: ‘Zó dope, Dizz.’
Het fluorescerende licht in de slakkenkleurige wc’s flikkerde. Dizzy had het idee dat ze al in geen eeuwigheid meer met z’n tweeën waren geweest en ze voelde een leegte in haar borst. Lizard keek haar via de spiegel aan, met een moeilijk te lezen blik, en toen keek hij weer naar zijn haren, die de kleur van flespompoen hadden. Hij had een bleke huid met hier en daar een sproet op zijn wangen; geen sterrenstelsels, zoals Dizzy.
Toen ze tien waren had Tony Spencer, Dizzy’s levenslange treiteraar, haar een lelijke sproetenkop genoemd, en de volgende dag was Lizard zelf met een sterrenstelsel naar school gekomen, die hij op zijn wangen had getekend.
Dizzy keek even in de spiegel en kreeg hetzelfde teleurgestelde gevoel als altijd, want ze leek precies op een kikker met een pruik. Ze kon zich niet voorstellen dat dit was wat mensen zagen als ze naar haar keken. Ze wou dat ze iets anders te zien kregen, het hoofd van Samantha Brooksweather, bijvoorbeeld. Samantha zette mannen in vuur en vlam met haar zijdezachte lokken, haar volle, getuite lippen en haar glinsterende saffierblauwe ogen.
Dizzy keek met haar gewone, oude, niet-glinsterende bruine ogen naar haar voormalige beste vriend, de echte versie, niet de spiegelversie. Ze wilde zijn hand vasthouden, zoals ze jarenlang stiekem onder allerlei tafels hadden gedaan. Ze wilde hem eraan herinneren hoe zij altijd van hun haren één vlecht maakten, zodat ze konden doen alsof ze één iemand waren. Ze wilde hem vragen waarom hij haar berichten niet beantwoordde en niet opnam als ze belde, en waarom hij niet naar het raam van zijn kamer kwam, ook al gooide ze er achter elkaar zevenendertig steentjes tegenaan. In plaats daarvan ging ze een van de hokjes binnen en hield zo lang mogelijk haar adem in. Toen ze weer naar buiten kwam, was hij weg.
Op de spiegel had hij met een zwarte stift geschreven: LAAT ME MET RUST.
Dizzy had het gevoel dat ze omvergeblazen werd.
En toen had ze gym. Trefbal. Het uur van angst en afgrijzen. Op het snikhete veld zweette ze dwars door haar shirt heen en probeerde onzichtbaar te worden terwijl ze deed alsof ze niet zag dat Lizard bij Tony Spencer stond. Bah. Blergh. Lizard de Verrader. Dizzy wilde een diepe kuil graven. Waarom was het nooit in haar opgekomen dat ze meer dan één vriend kon hebben? Maar ze had geen tijd om daar op dat moment over na te denken, want Tony Spencer maakte zich los van Lizard en stormde als een stripfiguur op haar af, met de bal in zijn handen en een grote, gemene grijns op zijn gezicht. Inclusief moordneigingen. Haar maag kromp ineen. Ze probeerde op een bovennatuurlijke manier zijn tong te stelen. Maar trok de opdracht toen weer in, want: ieuw.
Tony hield de bal hoog boven zijn hoofd en keilde hem keihard in haar buik, en op hetzelfde moment kwam er een soort vreemde, gênante gil uit haar keel. Daarna, toen ze met haar handen op haar buik als een vis op de grond naar adem lag te snakken en happen, draaide hij zich om, zakte door zijn knieën en ging met zijn zweterige shortskont boven haar gezicht hangen en liet een scheet.
Dizzy’s gedachten stonden stil. Of nee, toch niet: ze smeekte of dit alsjeblieft iets anders mocht zijn en niet bij haar. Of ze op de deleteknop mocht drukken. De escapeknop. De uitknop.
‘Wat voor kleur is dit, Dizzy?’ vroeg Tony smalend. Lizard moest hem hebben verteld over Dizzy’s synesthesie; dat ze geuren als kleuren zag.
Iedereen lachte en lachte, maar Dizzy hoorde Lizards hinnikende lach overal bovenuit, alsof Dizzy niet een potje spinnen zou hebben opgegeten om hem één seconde verdriet te besparen.
Daarom had Dizzy eerder die ochtend moeten huilen. Dat was de reden geweest dat ze haar blote spillepootbenen opdracht had gegeven om over de atletiekbaan naar de andere kant te rennen, over het hek van het schoolgebouw te klimmen, en de ene na de andere wijngaard te doorkruisen, en vandaar dus dat ze nu hier stond, in een uitgestorven deel van Paradise Springs, in haar gymkleren, midden op de dag, tijdens een hittegolf, en dat ze haar stomme zweetlichaam wilde uittrekken om het daar op straat achter te laten.
Want Tony Spencer had dat echt gedaan, in haar gezicht. Terwijl iedereen toekeek. En Lizard had gelachen! Om haar! God! Van nu af aan had ze een vermomming nodig, een geheel nieuwe identiteit. Ze zou nooit meer terug naar school kunnen, dat was duidelijk. Ze moest haar moeders creditcard pikken en een vlucht naar Zuid-Amerika boeken. Op de savannes leven met de capibara’s, want tijdens een van haar online researchmarathons had ze geleerd dat capibara’s de liefste zoogdieren zijn die er bestaan.
Niet hatelijk, zoals brugklassers.
En hallo? Synesthesie was niet eens iets waar Dizzy zich voor schaamde, zoals voor haar kikker-met-pruik-uiterlijk, of haar nucleaire-paddenstoelkapsel, haar sproeten die elke centimeter van haar lichaam hadden gekoloniseerd, inclusief haar tenen, inclusief haar sluimerende oventje. En voor al die andere dingen. Bijvoorbeeld hoe klein en rond ze was, en dat ze nog op geen enkele spannende plek haargroei had en dat ze zich best vaak een stofdeeltje voelde. En dan had ze het nog niet eens over haar angst om dood te gaan, om in slaap te vallen en om in het donker in haar bed te liggen, om haar kamer uit te gaan als haar moeder er niet was en dat ze bang was dat ze altijd lelijk zou blijven. En ze schaamde zich ook voor de tijd die ze écht op internet zat, op zoek naar relevante zaken aangaande het bestaan en nog heel veel andere dingen die Dizzy het gevoel gaven dat je in het leven van de ene verborgen of zichtbare vernedering naar de andere moest zien te hinkelen.
Ze rende over de verlaten, smoorhete stoep, in gedachten verzonken, zonder op de branderige, geelachtige geur in de lucht te letten, of op de luiken voor de winkels, die vanwege de helse temperaturen gesloten waren, of op de verschroeide heuvels in de verte, of de vreemde, knetterende stilte omdat de vier rivieren die door Paradise Springs liepen, allemaal waren opgedroogd. Ze keek niet naar de lucht en zag niet dat er geen vogels waren, omdat die het niet eens konden opbrengen om op de duivelswinden naar het lagere deel van de vallei te dwalen, die de ergste hittegolf uit de geschiedenis veroorzaakten.
Ze stak zonder te kijken de straat over.
En toen, een afgrijselijk geluid, alsof de wereld in tweeën scheurde.
De grond onder haar voeten schudde, de lucht trilde. Dizzy had geen idee wat er gebeurde.
Ze draaide zich om en zag de massieve metalen voorkant van een vrachtwagen op zich afkomen. O, nee, nee nee o, nee nee. Ze kon niet bewegen of schreeuwen of denken. Ze kon niks. Haar voeten zaten vastgeklonken in het beton en de tijd vertraagde en toen ze het begreep, stond de tijd helemaal stil. Dit was het.
Het.
Het einde.
O, ze hoopte maar dat ze een geest werd. Een geest die de hele dag naast Chef-mama in de keuken van haar restaurant mocht staan. ‘Ik wil meteen terugkomen, oké?’ zei Dizzy hardop tegen God. ‘En meneer, graag als een pratende geest,’ voegde ze eraan toe. ‘Niet zo een die niks kan zeggen, alstublieft.’
Ze slikte, overspoeld door zorgen, omdat ze hier zo ontzettend niet klaar voor was. Ze had nog maar drie seconden verbruikt van de twee weken die iemand gemiddeld in zijn leven doorbrengt met zoenen. Ze zou dood zijn voordat ze verliefd was geworden en was samengesmolten met een andere ziel, zoals Samantha Brooksweather en Jericho Blane. Voordat ze was ontvlamd en iemands kloppende opwinding tegen zich aan had gevoeld of het lava vanbinnen had voelen smelten door de gelijktijdige ontlading, of voordat ze een van die andere waanzinnige seksdingen had meegemaakt die in Leef voor altijd nu stonden. Erger nog, ze zou dood zijn voordat ze zelfs in haar eentje een orgasme had gehad – ze deed iets verkeerd of ze was misvormd; een van de twee.
En dit was het allerergste van alles: ze zou doodgaan voordat de vader terugkeerde die ze nooit had gezien – omdat zij de nacht dat hij vertrok nog in de baarmoeder zat. Sommige mensen beweerden dat hij dood was, maar ze wist dat dat niet waar kon zijn omdat ze hem een keer had gezien, boven op de heuvel, met zijn cowboyhoed op; precies zoals hij op al die foto’s stond, alleen had niemand haar geloofd (behalve Wynton en Lizard) aangezien ze wel vaker geesten zag, van die zwijgende, in de wijngaard, wat ook niemand geloofde (behalve Wynton en Lizard). O… Wynton. En haar andere broer, Perfect Miles. Haar moeder! Paniek greep haar bij de keel. Hoe kon ze hen achterlaten? De wéreld achterlaten? Ze vond het al moeilijk om ’s ochtends de ontbijttafel achter te laten. Hoe kon ze doodgaan voordat ze met z’n allen (Wynton, Perfect Miles, Chef-mama, teruggekeerde papa, eigenaardige dronken oom Clive) op de oude roodfluwelen bank tegen elkaar aan waren gekropen, Dizzy in het midden van een blijemensenberg, terwijl ze samen naar Harold and Maude of naar Babette’s feast keken (de oude lievelingsfilms van haar moeder, en nu ook van haar). O, ze hoopte dat ze die films zouden gaan kijken, ter nagedachtenis aan haar, in plaats van bloemen.
Niet dat zij en haar familie ooit als een blijemensenberg samen naar een film hadden gekeken, of gewoon: samen blij waren geweest. Punt. Maar nu was de kans voorbij.
Ze zou dood zijn voordat alle kansen voorbijkwamen.
En het allerafschuwelijkste was niet eens dat de laatste gebeurtenis van haar leven een scheet in haar gezicht van Tony Spencer was geweest terwijl Lizard de Verrader haar uitlachte. (Vergeet die oude films in plaats van bloemen trouwens maar; eieren en wc-papier, graag, bij alle twee de huizen.) Het allerafschuwelijkste was dat ze dood zou gaan voordat er echt iets wonderbaarlijks in haar leven was gebeurd.
En toen gebeurde er iets echt wonderbaarlijks in haar leven.
Ze voelde twee sterke, harde handen op haar heupen. Ze draaide zich om en zag een meisje. Een meisje als een stralende, flitsende ster.
Dizzy wilde haar aanraken, haar gezicht, omringd door golvende regenboogkrullen die tot haar middel kwamen, sprookjesachtige lokken in alle kleuren, maar voordat Dizzy haar hand naar die blakende wangen kon brengen, zei het meisje iets, drukte even met haar vinger – plop – op Dizzy’s neus, tilde haar met allemachtige handen op en daar ging Dizzy. Hoger, hoger, hoger. De lucht in. De hemel kantelde terwijl Dizzy naar voren geslingerd werd; voor haar gedachten, tijd en plaats uit, om uiteindelijk in een wirwar van armen en benen op de hete stoep te belanden.
Holy moly.
Dizzy bleef liggen. Eh… Wat was er net gebeurd? Haar hart bonkte als een wild beest in haar borst, haar wang lag op het warme grind. Was ze een geest? Ze drukte haar duim en wijsvinger tegen elkaar. Nee, nog steeds van vlees. Ze probeerde haar hoofd op te tillen, maar het enige wat ze zag was een grote waas. Waar was haar bril? Ze rolde op haar rug en iemand, een man – dat zag ze zelfs zonder bril – niet het meisje dat ze verwachtte te zien, torende boven haar uit, hield de zon tegen, bood zijn hand aan, praatte bliksemsnel.
‘Dat scheelde een haar. Een háár. O, god, jezus. Maar moet je jou nou zien, niks aan de hand. Geen schrammetje. Godzijdank.’ Met trillende handen hielp hij Dizzy om op haar bibberende benen te gaan staan. In haar wang en handpalmen zat grind, op haar knieën zaten brandende schaafplekken en haar hart bonkte, maar voor de rest was ze in orde. Dizzy betwijfelde of dat ook gold voor de man, die volgens haar op het punt stond om een aanval van hyperventilatie te krijgen. Hij zweette door zijn gevlekte shirt heen, stonk fenomenaal, een pompoenoranje geur, de kleur die Dizzy associeerde met mannen, met mannenzweet. Meisjes en vrouwen roken meestal groen. Maar niet allemaal, wist Dizzy nu. Het regenboogmeisje dat net haar leven had gered, rook karmozijnrood, zoals bloemen. ‘O, jemig. O, god. O, mijn god,’ zei de man. ‘Hoe oud ben je? Negen? Tien? Ik heb een kleindochter van jouw leeftijd. Licht als een veertje, net als jij.’
‘Ik ben een twaalf jaar oud veertje,’ zei Dizzy beledigd. Want, ja, inderdaad, het was irritant om nog steeds gevraagd te worden voor het elfje in de zomerparade van Paradise Springs, en bedankt. Ze bukte en tastte om zich heen, op zoek naar haar bril, die – zo ontdekte ze – in haar haar zat, dat wel vaker dienstdeed als haar persoonlijke verzamelbak voor gevonden voorwerpen. Ze maakte hem los, zette hem op en zag dat de man, met zijn grote, vriendelijke gezicht met zweet en snor, in werkelijkheid een pratende walrus was.
Maar het meisje was nergens te bekennen. ‘Goed dan, twaalf. Ik neem mijn woorden terug,’ zei de man. ‘Poeh hé. Ik ben zo blij dat je niks hebt. Ik dacht dat je er geweest was.’
‘Ik ook,’ zei Dizzy, terwijl haar hoofd weer op gang kwam. ‘Ik hoopte dat ik terug zou komen als geest, maar dan wel zo een die kan praten, weet je wel?’ Ze voelde de woorden in haar opkomen, woorden, woorden, woorden, een vloed van woorden die naar buiten wilde, zoals vroeger, in haar leven van voor de scheiding. Tuurlijk, sommige mensen, wier naam niemand zal noemen, vonden dat Dizzy te veel praatte en dat haar stembanden verwijderd moesten worden, maar die mensen waren er nu niet, dus ging Dizzy verder. ‘Dat zou afgrijselijk zijn. Dat je er bent en alles en iedereen ziet, maar dat je niks kunt zeggen, mensen niks kunt vertellen, niet eens je naam. Zoals die geesten in de wijngaard.’
‘Ik denk niet dat jij het goed zou doen als zwijgende geest,’ zei de walrusman.
‘Precies. Dat bedoel ik.’ Ze keek om zich heen. ‘Ik moet dat meisje bedanken. Waar is ze gebleven?’
De man kreeg een verbaasde blik in zijn ogen en zijn borstelige wenkbrauwen gingen omhoog. ‘Wie is waar gebleven? Het enige wat ik zag was de zon, en jij, die in het licht stond, helemaal stil, terwijl je naar de hemel keek als een beeld van een heilige. En toen trapte ik als een gek op de rem, uit alle macht, maar het volgende moment vloog je opzij. Ben je een atleet of zo? Want je vloog hoog door de lucht. Het was een bizar gezicht.’
‘Alles behalve een atleet. Dat is mijn broer Perfect Miles. Ik haat sport. Alle sporten. Ik blijf het liefst binnen.’ Ze zuchtte en probeerde haar gedachten tot rust te brengen, die wel van een wedstrijdje hielden, die van vloedgolven hielden. ‘Ik ging omhoog doordat dat meisje me een duw gaf. En een harde ook. Daardoor slingerde ik door de lucht. Heb je haar niet gezien?’ Dizzy keek links en rechts. Er was niemand. Niet eens toeristen. Niet eens auto’s. De duivelswinden hadden Paradise Springs in een droog, stoffig spookstadje veranderd. ‘Ze had van die tatoeages… Gekleurde woorden.’ Dizzy raakte haar arm aan, op de plek waar het meisje een tattoo had van het woord ‘lot’. ‘En ze was zo mooi, haar gezicht…’
‘Schatje, wij zijn de enigen hier. Het zal wel door de hitte komen. Niemand kan helder nadenken.’
Toen ze even later onder de brandende zon door de wijngaarden naar huis liep, haar kleren aan haar lichaam plakkend van het zweet, lukte het haar nog steeds niet om het meisje uit haar hoofd te zetten. De karmozijnrode geur. De manier waarop ze Dizzy had aangekeken, recht in haar ogen. ‘Maak je geen zorgen. Je bent oké,’ had het meisje met een vreemde, schorre stem gezegd, en toen had ze met haar vinger Dizzy’s neus aangeraakt – plop. De angst voor de vrachtwagen die denderend dichterbij kwam, was in één keer verdwenen. Al haar angsten en onzekerheden over álles waren in één keer verdwenen. En alles om het meisje heen was licht geweest, ze had een stralenkrans om haar hoofd gehad, als een halo om die golvende regenboogkrullen heen.
Als een halo.
En toen had ze Dizzy de lucht in geduwd.
'Als de wereld wankelt' van Jandy Nelson verschijnt bij Uitgeverij Blossom Books en is vertaald door Aimée Warmerdam en Merel Leene.