Amsterdamnocturne – een verhaal van J. Z. Herrenberg

In dit verhaal, geschreven door J.Z. Herrenberg, worden we op een deinende pont meegevoerd van Amsterdam Centraal naar Noord. De alledaagse gesprekken golven met ons mee, terwijl de omliggende gebouwen veranderen van vorm. Een prachtige ode aan Amsterdam, het IJ en de taal.

Beeld: Kees Holterman

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer
Invocatie

Vervoermiddel en middel tot vervoering – heikele verbeeldingsmotor – draagster van waarheid, schoonheid en leugen… Taal! Van de allerdiverste ervaringen in het denk- en voelbare ben jij een machtige leverancière.

Wij rollen op jouw grote bonte woordenwielen planeetbreed en kosmoswijd door alle tijd en ruimte, horen op onze levenslange reis stemmen die ooit (of nooit) hebben geklonken, zien wat en wie er (n)ooit was opdoemen en (wederom) bestaan.

Een even heilzame als verziekende zaaister ben jij, Taal, onze troost en inspiratie, maar ook – bij degenen die jou misbruiken – fataal vergif.

Niet jouw schuld, lieve Taal. Wij mensen zijn het, die verbasterde engelen.

Soit! Vergun mij een goedaardige dans, angstwekkend betoverende schat!

Hop!

Naar 1982, die zesde juni…

Amsterdamnocturne

Een licht en stillend deinen beurt hen op en ze zinken weer neer, elkanders droomroze zon. Witte schoentjes (turn-), jeans gebleekt en verknipt, felrood bloesje: angstig dicht tegen hem aan als ze staat, drukt ze hem aardig tegen de stangen van de reling; maar persen die hun ijzer al pijnlijk in zijn rug, hij voelt het niet of duldt het stoer.

Op!

Ze fluisteren. Hun jonge handen zijn koesterende.

Neer!

En zijn armen komen om haar, en de hare sluiten om hem: bolwerk. En sans gêne beginnen ze het binnenste, ruw-tere sfeer van bed en gordijnen, buiten te keren, hun liefde warm maar voorzichtig open te leggen, broos onder de blote hemel. 

Op!

Werkeloos wacht hun aftandse Zündapp, twee ledige valhelmen op het geschonden duozadel.

Neer!

IJlt dat bloed van ze al?

Close-up.

Maar zowaar: horen en zien schijnen hun totaal te zijn vergaan, die drie nog overlevende zinnen runnen hier het zaakje, zoveel is zeker.

Twee-Een! Twee-Een!

Tesamengevloeid hebben de gezichten van hem en van haar hongerige mondgemeenschap, waarbij zij, de schat, zachtjes huilt.

Boven, dan, op de brug:

—O, die stinkhitte! Van mij mag het gaan onweren, Mary.

—Asjeblief zeg, wacht effe tot ik thuis ben, grappenmaker.

—Het is toch zo? Het zit verdomme al uren dicht.

Neer!

Pot- ja. Oud nieuws, hoor. Evengoed, niks aan blijft het, zo’n broeierig grafzwerk dat ondergang wil kakken en de vrije blik omhoog bot fnuikt. Dus werp je die ook niet, vruchteloos, maar eentje meer waterpas en gewoon informatiever.

Op! 

Dat Centraalgevaarte verwijdert zich stilaan, polychromatisch omstraald gaandeweg van de massa stadslicht erachter, en de verzamelde steigers, tongen-op-poten, komen mooi helder op rij uit de luisterloze De Ruijterkade gestoken, boten erlangs in alle soorten, formaten en verven, want deze hier, je uitkijkpunt, deze nu: de Tolhuispont heeft de wal zojuist de wal gelaten, is varende, dreunend een roezemoezen voerend door hartje nacht, naar de Buiksloterweg een doffe logofonie van mensenstemmen, allerhande lichtgeklede zielen, immers, draagt het dek van dit pendelIJland over, minstens twintig meer dan toen straks (twee man en een hond, remember?), ze zitten alleen of getweeën op de latten banken in de smalle gangen – ‘zijperken’ – aan stuur- en bakboord, matgeel beschenen (voor vertrek zonet, bel tinkend, klep toe, doofden alle lichten behalve de verplichte, zoals deze dus en die groene en witte aan de mast daar), ze staan her en der, sommigen binnen en anderen donker op het bredere middenperk of tegen de reling schemerig, zitten of staan te zwijgen, monologiseren, discussiëren, te kussen, soezen, of te kijken door de ramen, in zichzelf, over het fulpen water, naar medeopvarenden, terwijl in de tropische kamer onder hen, continuo, de machines voor hen zwoegen, hun holle stamp vervlochten met hypnotisch klotsen, op hoog bevel van haar, die schaterende schim op de glazen brug met de duizelend wentelende scannerparabool, zij ja, parelend in gesprek met een andere schaduwvlek: roervrouw Van der Ploeg.

Neer!

‘…Jasses, hou me te goede zeg! Ik gruw net zo hard van dat soort onuitroeibare flapuiten, van die walgelijk gewichtigdoenerige bekentenishoeren! Maar eerlijk, zonder nou meteen dronken sentimenteel te willen worden: m’n ouders waren zúlke mensen, zeker weten. Niet volmaakt, da’s niemand. Maar ze voldeden perfect. En misschien hadden ze wel een aardiger kind verdiend dan ik ben. Wie weet. Maar ja, ik heb mezelf ook niet gemaakt… Die van mij is handig lichtgevend, zie je wel? Voor m’n verjaardag gehad toen ik elf was. Acht over halfdrie geweest… Ja, erg is dat hè, als-ie zo’n week lang weg is en je hoort maar niks van ’m, het lijkt dan net of je leeg bent. –Ja, helemaal, dan is het net of je niks meer hebt. Maar ik gelijk, toen ik die kaart kreeg, naar m’n moeder toe hollen met m’n stomme kop, en maar zwaaien ermee en roepen van ‘Ma, ik heb ’m, hij is ’r!’ M’n moeder lachen natuurlijk. Maar niet, omdat ze het maar een beetje flauwekul vond, hoor, ze had ’r echt begrip voor. Ze heeft dat toch ook gehad, vroeger, met jongens? –Ja, tuurlijk…' 

Op!

En alom wijd en diep, ex-zenuw en -as van Amstelredammes mogendheid en faam, deint het vuilrijk IJ. De loodsen, de dokken, de platforms voor laden en lossen, de pakhuizen, de kranen, alle zijn ze doods ten prooi aan meeuwen, ratten en sinaasappellicht. Onachterhaalbare tijd, die bijl, heeft waarlijk het mastenbos gekapt. De Sixhaven ginds? Ze is er de poverste, de popperigste echo van, met die jachtjes van plezier in haar bekken, die zo fier hun cocktailprikkers verheffen. Aangeplempt, omsluisd, bruut gescheiden van zijn grote broer de Zuiderzee, zelf ook zo snood met dijk en polder tot een meer verminderd: leeg en getemd ligt de grens van het Noorderkwartier. De dichters hebben de stroomgod afgedreven, en aldus verweesd en verwezen, is hij wel nooit het toetje van een schroef geworden, maar kelderde zijn domein van heilig tot verontreinigd. O IJ, ach god! Wrede spiegel! Soms, bij zeldzame fantasie, dan kan ik jou zien, zwaar beëeuwd, erbarmelijk vervallen, nog drie tanden, tussen de andere wrakken op de bodem, kan ik je nat zien dromen van wijlen de Amstelnimf (die toornig de Dam brest en teder haar monding biedt), bellen betoverjarige adem door het inktrijk der fabelen blazend, om daarna heeeel langzaam te ontwaken, triest en krukkig te herrijzen en her en der als blinkend schuim in zicht te stijgen, kale kruin brekend door de blauwzwarte schaal van ons IJ. 

Neer!

‘Dat jij daar zo van opkijkt! Onbegrijpelijk. Ik, ik heb ’m altijd al een raadsel gevonden. Maar ik ken ’m dan ook stukken beter dan jij, dus… Wat ‘stembus’? Stemkut! Ze naaien je toch iedere keer weer, stelletje zakkenvullers? Nee hoor, deze jongen is op vakantie in september. Benidorm, here I come!… Laat ’r laatst toch zo’n smerig nessie junken bij mijn in de portiek zitten chinezen! Of ’r niks aan de hand is, bloedlijp van dat spul. Zilverpapiertje op de grond, zo’n flutaanstekertje (uit de supermarkt gejat natuurlijk), nou ja, de hele reutemeteut, je kent dat wel. Dus ik trek me die deur toch ópen, daar schrokken ze zich al een rolberoerte van, en ik zeg zo tegen ze van: ‘Jonges, effe wieberen, of ik ram die naald toch wel zo oerenthard in je, dat je ’m niet meer vindt!’ Had je ze toen moeten zien, met die zieke hondeogen!… Nee hoor, met Pa gaat het wel goed. Mag alles weer gebruiken. Behalve de buurvrouw…!’

Op!

Het fluit, het schittert vijfmaal kort, glashel (‘Ik betwijfel of u handelt om een botsing te voorkomen’). Een bastaardvloek floept christelijk van de brug. En dan, heus waar, loopt voor de pont – die schuimend haar ontwende plicht van vaart te minderen doet – ijskoud een binnenscheepje over, ‘Dolfijn’, uit Schoonrewoerd (Z.H.), oostwaarts. Sokken en lakens en slipjes in sneeuwwit gelid an de lijn, toet het ons een joviale groet, met zijn simpele kiel een hemelsbreed V-teken schrijvend, weids ontploken zogwieken die ten slotte klokkend op de stenen reven teloorspatten.

En is voorbij.

Neer!

En Van der Ploeg, zij koerst weer voort. Naar Noord. Een wolkenkrabber stormt er overhoeks omhoog. Van onderop beschenen. Ramen stralen aan de wakkere top. De vlag op zijn dak? Voor lijk langs haar stok. ‘Shell Research’, schreeuwen bloedletters laag van een lab links. Rembrandts ogen zagen daar smullende vogels, eens.

Blikzwenk.

Maanbleek achter de vers bezongen Sixhaven schemert een kelkenprofiel door het bladstille nachtzwart van de bomen: de uitgemetselde betonnen ontluchtingspijpen van de tunnel (blik jast vol gas in en uit over-IJs gebied, alsof de hardhartigste farao uitverkoren volk op de hielen zit). Rood, uit, rood, uit flikkert die boei rechts, om de drie seconden rood, uit, rood, uit.

Blikzwenk.

En al koninklijker wast het Shellgebouw uit de kluiten van het oude galgenveld. Onstuitbaar loodst de veervrouw haar stervelingenlading richting linkerfuik. Aanstonds, om 2:41 uur, aanstonds, dan loopt zij binnen en dit pontdicht ten eindpunt.

Op!

De houten hoofden zullen knarsen en kreunen door de schuring van haar flanken, IJwater zal koken, zal slaan, lichten flitsen aan, en de klep klapt –

Neer!

Ontscheep ze, dierbare overgezetten!

Amsterdam-Noord.

Vaarwel!

Kees Holterman

Kees Holterman (1994) is kunstenaar, illustrator en printmaker uit Philadelphia, Verenigde Staten. Hij illustreerde eerder al voor onder meer The New Yorker, House of Vans en Miller High Life. Tegenwoordig woont hij in Utrecht.

Bekijk hier de website van Kees