Brief aan de minister: Emy Koopman schrijft minister Rob Jetten en de klimaatdrammer die hij ooit was

Twintig schrijvers vormen een 'literair schaduwkabinet'. Ze schrijven elk een brief aan een minister uit het kabinet-Rutte IV, met daarin een leesadvies. Geen non-fictie, geen zelfhulpboeken of op feiten gestoelde analyses van maatschappelijke onderwerpen, maar fictie, romans, gedichten en verhalen die je in het hoofd van iemand anders verplaatsen. En dat is essentieel voor bewindslieden die aan het hoofd staan van een democratie. Vandaag aflevering 12: schrijver Emy Koopman heeft een leestip voor Rob Jetten, minister voor Klimaat en Energie. Heb je zelf ook een goede romantip voor Jetten, laat die dan hieronder achter in de comments.

Tags

Klimaat Literair Schaduwkabinet Politiek

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

 Dierbare klimaatdrammer,

 

‘Naïef’ ben je genoemd, meer dan eens, een van de ernstigste beschuldigingen in deze tijd, en niet alleen in deze. (Laat niemand merken dat je iets niet weet, laat ze niet voelen hoe zacht je vlees is, laat ze niet zien hoe makkelijk de tranen in je ogen schieten, zorg dat je gepantserd bent, bijt vast die kaak en recht die schouders.) ‘Niet realistisch’, werd je voor de voeten geworpen, door wie niets wilde veranderen, ondanks al te reële bevingen in Groningen en branden op toendra’s. Degenen die je onschadelijk wilden maken hielden nog net geen ‘L’ van loser tegen het voorhoofd – kijk die daar, die wil dingen die onmogelijk zijn (lucht die zonder hoofdpijn kan worden ingeademd, water dat zonder zorgen kan worden gedronken, misschien zelfs voor de achterkleinkinderen). Wat een pretbederver, zedenpreker, activist.

Dit is geen brief aan minister Rob Jetten – degene die de titel klimaatdrammer, door Kamerlid Rob Jetten nog met trots gedragen, alweer heeft ingeleverd omdat hij er in zijn huidige rol ‘voor iedereen’ wil kunnen zijn. Tot die minister van Klimaat en Energie wilde ik me aanvankelijk wel richten: bij het aannemen van de opdracht om een leesadvies te geven, dacht ik het grondig te gaan aanpakken, serieus. Geen spelletje waarbij de aangesproken bewindspersoon slechts een voorwendsel is om alle frustraties over Rutte I-IV af te kunnen reageren, geen ‘meneer de president, slaap zacht!’ voor de crisisgeneratie en ook geen hoopvol stuk over waarom juist dit ene boek voor dit beleidsterrein het verschil kan maken zonder rekening te houden met de persoon van vlees en bloed die geacht wordt dat boek te lezen en dat beleid uit te voeren. Nee, een oprechte boekentip gebaseerd op werkelijk contact. Als een bibliotherapeut wilde ik tegenover hem gaan zitten, horen wat hij normaal gesproken leest en waarmee hij worstelt. Ik had willen vragen hoe zwaar de botsing tussen ideaal en realiteit hem valt, of hij had verwacht meer te kunnen doen, of hij een alternatieve werkelijkheid voor zich kan zien waarin het opengooien van kolencentrales om te compenseren voor verloren gas niet nodig zou zijn (wat is ‘nodig’?). Hoe, volgens hem, het liberalisme van zijn partij in overeenstemming te brengen valt met ‘grenzen aan de groei’, en of hij wel in grenzen gelooft, of toch vooral in groei (wiens groei?).

‘Oprecht’: een van de betekenissen van het oorspronkelijke, Franse naïf.

Foto: Johannes von Engelhardt
Foto: Martijn Beekman

Ik mailde de woordvoerder, Dion – en hoorde niets terug. Ik belde Dion op, hij was allervriendelijkst, hij zou spoedig terugkoppelen – meerdere weken verstreken in stilte. Toen had ik natuurlijk op de stoep kunnen gaan staan in Ubbergen, een mandje met boeken in de hand; de gemoedelijke activist. Ik overwoog een reportage, stelde me zo’n uur lang voor hoe ik met de buren zou praten, en tegen het beeldje van de lezende Nescio aan de Rijksstraatweg. (Nescio – Och, ik wist vooruit dat ’t op niet veel zou uitloopen.)

Er zijn momenten om koste wat het kost door te zetten en momenten om je verlies te nemen, van plan te veranderen – waarbij ik als schrijver, in tegenstelling tot kabinetsleden, het geluk heb en de pech dat de gevolgen van mijn veranderende plannen beperkt zijn. Hoeveel oprechtheid je ook nastreeft, schrijven blijft hoe dan ook spel; experimenteren, aftasten, construeren, graven, omgooien. En binnen dat spel vind ik het een opluchting dat ik geen minister hoef aan te spreken (niet in de eerste plaats, niet alleen), dat ik dit schrijven kan voortzetten zonder smeekbedes of verwijten. Liever spreek ik tot de klimaatdrammer in het algemeen, de drammer die ergens in ieder van ons zou kunnen schuilen – de drammer die in elk geval in mij schuilt en tot wie ik me moet verhouden. Liever spreek ik tot wie zich maar aangesproken voelt.

‘Mensen stellen hun lichaam in de waagschaal. Zelfs hier, in deze contreien, waar het kwaad allang geschied is, waar de verliezen van dit jaar in het niet vallen bij de kaalslag die er in het verre zuiden plaatsvindt… zelfs hier worden mensen geslagen en mishandeld. Mensen krijgen wattenstaafjes met pepperspray in hun ogen geduwd, terwijl zijzelf – zij die weet dat er elke dag een biljoen bladeren verloren gaan zonder dat er nieuwe voor in de plaats komen – niets heeft gedaan.’

Gedachten van bomendeskundige Patricia Westerford in Richard Powers’ megalomane roman The Overstory (2018, vertaald in het Nederlands door Jelle Noorman als Tot in de Hemel), nadat ze op het nieuws heeft gezien hoe activisten die een bos wilden redden werden weggeknuppeld. Van de negen bomenminnende hoofdpersonages die Powers opvoert gaan er vijf fysiek de confrontatie aan met een ontaard houtkapbedrijf dat eeuwenoude woudreuzen wil kappen. Ze ketenen zich vast, zijn bereid verminkt te raken, raken verminkt, gaan nog wat verder, geweldloosheid overboord, aankomend ski-resort in de fik, maar wat ze ook doen, ze kunnen het niet winnen van een systeem dat de winst en het bezit van degenen die het meest bezitten boven alles stelt. Terwijl de activisten hun moedeloosheid proberen te overwinnen met nieuwe acties, zoekt Patricia naar wat zíj kan doen: al die kennis die ze heeft over bossen met de mensen delen (‘Het wisselt voedingsstoffen uit. Het maakt het weer. Het levert de componenten van de atmosfeer. Het voedt en geneest en huisvest meer soorten schepselen dan mensen kunnen tellen.’), en met de opbrengsten van haar boeken en lezingen de wereld rondvliegen om zaden te verzamelen van de bedreigde boomsoorten die ze het met de uitstoot van al die vluchten nog wat moeilijker maakt.

Er zit een bitterheid in The Overstory, een diepe wanhoop. Wanhoop die mij niet vreemd is, al is-ie verre van constant aanwezig, en waarvan ik me afvraag of jij ‘m ook kent, of jouw innerlijke klimaatdrammer ‘m kent. Ik dacht eerder dat dat gevoel draaide om de mens, dat het de machteloze woede was van het toekijken hoe onze soort de eigen ondergang blijft bespoedigen, gedachteloos verkwistend of zelfs moedwillig destructief (‘liever nog een eeuw en dan naar de kloten, dan duizenden jaren met zaden en noten,’ zoals een eerdere adviseur uit het Schaduwkabinet instemmend een anonieme muurscribent citeerde), maar sinds het lezen van Powers twijfel ik daaraan. Zijn personages spreken ook over wat de menselijke soort verliest als ecosystemen instorten; als zij het opnemen voor de bomen benadrukken zij ook wat die bomen allemaal voor ons mensen kunnen betekenen (‘voor alle doeleinden die je kunt bedenken is er wel een boom’). Toch, als het erop aankomt, lijkt ‘de mens’ niet te zijn waarvoor ze strijden. Hun wanhoop draait, uiteindelijk, om de bomen zelf. Hoe majestueus die zijn, hoe ontzagwekkend, hoe onbegrepen nog en hoe intelligent. Al dat moois, al dat kostbaars, dat wordt weggevaagd omdat te weinig mensen de schoonheid en de waarde ervan inzien.

Je probeert de slechtziende ander aan te spreken op datgene wat hij nog wel kan waarnemen, iets wat daadwerkelijk aanwezig is in datgene wat je liefhebt, terwijl je weet dat als je het daartoe zou reduceren, het alle schoonheid verliest.

Door het lezen van dit boek kreeg iets wat mistig was in mij, onscherp, een vastere vorm. Door het te zien bij deze personages, zag ik het ook bij mezelf: er zijn andere soorten waar ik het eigenlijk liever voor op wil nemen dan voor de mens. Schuldeloze soorten, die niet beweren de kennis van goed en kwaad te bezitten, waarvan de leden dus ook niet laf kunnen zijn of wreed, onverantwoordelijk, asociaal – soorten die aanzienlijk minder frustratie opwekken.

Dit had ik eerder niet zo durven toegeven. Het toegestane publieke discours rondom klimaatverandering verwacht dat je de mens centraal stelt, andere soorten alleen aanhaalt als ze nuttig zijn voor ons of als hun benarde positie iets kan zeggen over de onze. Al het andere is sentimenteel, volgens de mores die voorschrijven dat de mechanische technologie achter een snelle auto indrukwekkender is dan de chemie achter de communicatienetwerken in een bos. Dus verdedigen klimaatactivisten het niet-menselijke leven met nuttigheidsargumenten, zoals in het nauw gedreven kunstenaars dat doen met kunst. Je probeert de slechtziende ander aan te spreken op datgene wat hij nog wel kan waarnemen, iets wat daadwerkelijk aanwezig is in datgene wat je liefhebt, terwijl je weet dat als je het daartoe zou reduceren, het alle schoonheid verliest.

‘Nut is nu juist de ramp,’ in de woorden van Patricia. Als het denken in termen van nut steeds maar weer leidt naar uitbuiting en verschraling, draait de onderliggende strijd die gevoerd zou moeten worden dan niet juist om het zichtbaar maken van schoonheid, het herdefiniëren van rijkdom?

‘Ontblinding’, daarover gaat het onderzoek van een van Powers meest tragische personages, Adam Appich. Hij vraagt zich als beginnend sociaal wetenschapper af waardoor het komt dat voor sommige mensen iets overduidelijk is wat anderen zich (nog) niet kunnen voorstellen, en belandt zo bij een groep waaraan hij eigenlijk een hekel heeft: de ‘bomenknuffelaars’, de plantenrechtenactivisten. Daar, bij hen, tientallen meters boven de grond in een reuzensequoia met een eigen binnenmeertje, wordt hij overspoeld door ontzag. Ineens is de jonge vrouw tegenover hem, die sinds een bijna-doodervaring de stemmen van bomen meent te horen, zo waanzinnig niet meer. Tegen het onvrijwillige einde van zijn carrière, vlak voordat hem een meedogenloze straf wordt opgelegd, is hij, Adam, degene die hardop zegt: ‘Er is een tijd geweest dat bomen altijd tegen mensen spraken.’

Is de plantenblindheid gestaag aan het verdwijnen, zijn de denkkaders aan het verschuiven, is de paradigmawisseling nakende?

Dit personage, niet toevallig vernoemd naar de Bijbelse eerste mens, begint als een kind omringd en gefascineerd door planten en dieren, raakt onttoverd, wordt pragmatisch en rationeel, om uiteindelijk opnieuw te leren zien, al verliest hij daarbij alles wat de huidige westerse samenleving waardevol vindt. Ik zag wat Powers probeerde te doen en liet het toe, stond het mezelf toe me te herkennen in deze figuur. Want ja, als kind was ik begeesterd door het idee van regenwouden, gebiologeerd door wat er allemaal bloeide op braakliggende terreinen, betrokken bij wilde en bij tamme dieren. Als tiener keerde ik me daar al snel vanaf omdat het niet cool zou zijn. De wereld leek alleen nog maar te bestaan uit en voor mensen, mijn flexibele vegetarisme werd meer een gewoonte dan een ideaal. Pas sinds een paar jaar kan ik – dankzij andere mensen en wat die zoal voortbrengen aan boeken en documentaires – eindelijk weer kijken met een blik die ik als kind nog had, die blik die het onbevattelijke ziet van andere levende wezens, de blik van voordat je anderen leert te gebruiken als dingen die je niets verschuldigd bent. Naïef: ongekunsteld, ongedwongen, natuurlijk, onbedorven. Maar dan met de (tekortschietende, beperkte) kennis van een volwassene. Wat je dan ziet is een en al extase, een en al overvloed. Verkwisting van het soort dat zelden uitroeit of degradeert maar dat almaar weelderiger leven voortbrengt, ook als er wordt gestorven, júist als er wordt gestorven. Talloze eitjes, zaden, noten, sporen, stampers en stuifmeel, vruchtvlees en feromonen – een voortdurende woeste dans die alle kleur en alle smaak de wereld in slingert, alles wat bedwelmt en alles wat heelt, alles wat het mogelijk maakt dat je jezelf lam kunt zuipen, blauw kunt roken, kapot kunt snuiven, alles wat de weg opent naar welke kloten je maar wil.

In de gedachten van Patricia: ‘Andere schepselen – groter, kleiner, trager, sneller, ouder, jonger, machtiger – hebben het voor het zeggen, maken de lucht en eten het zonlicht. Zonder hen: niets.’

The Overstory zit vol lyrische passages en plotse openbaringen. Over de top, zal een deel van de lezers zeggen. Dat klopt, maar niets minder dan dat volstaat om ‘de natuur’ – om voor het gemak maar dat onnauwkeurige concept dat eigenlijk alles omvat te gebruiken – recht te doen. De natuur ís over de top. Inclusief de mens, misschien wel het meest overdreven wezen van allemaal, juist omdat-ie zo hard probeert te doen alsof hij dat niet is. De drukdoenerij van die mens zet Powers in het volle licht, opzichtig manoeuvrerend om zijn negen karakters door de decennia heen in de problemen, bij de bomen en bij elkaar te brengen. Al die perikelen van al die mensen geven een gevoel van gekrioel en gewemel dat bij uitstek contrasteert met de kalmte van de schijnbaar onbeweeglijke, schijnbaar onaangedane bomen. Zij, in al hun veelvoud, zijn de echte hoofdpersonen. Ze reiken naar de hemel, verspreiden hun zaden, waarschuwen elkaar voor plagen en lijken de mensen aan te sturen. Ze leven zo lang en zo uitbundig als ze kunnen leven – die drang is niet minder dan die van de mens in zijn schaduw – maar zij leven volgens een andere klok, in decennia in plaats van in jaren, in eeuwen in plaats van in decennia. Zij weten hoe je stoïcijns kunt volharden terwijl alles om je heen lawaai maakt en voortraast.

Proberen de bomen in The Overstory de mensen te mobiliseren om hen te komen redden? Willen ze de mensen redden van zichzelf door een beroep te doen op hun reddersinstinct? Of zijn ze, zoals Patricia vermoedt, vooral met ons aan het spelen, ‘zoals jongetjes spelen met kevers’? Het eindspel van de bomen in The Overstory blijft onduidelijk – en terecht. Empathie – denken dat je weet hoe een ander zich voelt, dat je voelt hoe een ander zich voelt – is verraderlijk. Je inleven in een boom verschilt nogal van het zíjn van een boom. Powers verkleint de kloof tussen de wezens niet zozeer, hij geeft je vooral een zetje om wat vaker omhoog te kijken, verwonderd als een onbedorvene, en je eigen nietigheid te zien.

Wellicht komt dit door de bubbel waarin ik me bevind, maar ik heb de indruk dat dat omhoogkijken zich steeds wijder verbreidt. Vrienden, vriendinnen, buren en vage kennissen, ze steken hun handen in de aarde, scholen zich om tot biologisch boer, boswachter, herborist of tuinder, kweken wortels en aardappels op hun balkon, courgettes en aardbeien in een volkstuin, planten nieuwe bomen, verdiepen zich in biodiversiteit, vissen, vogels of insecten. Ze richten hun aandacht op wat mooi is, en monsterlijk, overdadig, krachtig en fragiel.

Is de plantenblindheid gestaag aan het verdwijnen, zijn de denkkaders aan het verschuiven, is de paradigmawisseling nakende? En als dat zo is, kan die andere blik dan (in combinatie met harde actie, met gedram, met het doorzetten van milieuwetgeving en true pricing) er tijdig voor zorgen dat de mensheid genoeg vertraagt om in de pas te gaan lopen met de draagkracht van de planeet?

Zoiets is moeilijk te geloven als je ziet dat zelfs wij die op dit kleine, welvarende stukje land wonen niet in staat lijken onze energiebehoefte te vervullen zonder ofwel onze eigen bodem en wie daarop leeft te beschadigen, ofwel de grootheidswaan van een stervende dictator te financieren, ofwel terug te grijpen naar de allervervuilendste bron van elektriciteit. Ook Powers’ personages kunnen zich de omwenteling nauwelijks voorstellen; zij klinken fatalistisch, gedesillusioneerd. Groei zal volgens hen altijd het leidende principe blijven, groei in de zin van meer winst, meer glanzende knikkers, meer snellere voertuigen voor een klein deel van die ene primatensoort, een verwoestende woekerdrift die niet zal leiden tot een plotsklaps pijnloos einde maar tot een almaar benauwdere, kariger, gewelddadiger wereld. Een vriendin – herborist in opleiding – noemde dit boek ‘deprimerend’.

Vrienden, vriendinnen, buren en vage kennissen, ze steken hun handen in de aarde, scholen zich om tot biologisch boer, boswachter, herborist of tuinder, kweken wortels en aardappels op hun balkon, courgettes en aardbeien in een volkstuin, planten nieuwe bomen, verdiepen zich in biodiversiteit, vissen, vogels of insecten. Ze richten hun aandacht op wat mooi is, en monsterlijk, overdadig, krachtig en fragiel.

En toch, en toch… The Overstory als geheel lijkt een ander verhaal te vertellen, een verhaal met een andere tijdsdimensie, een verhaal van onder- en bovengronds samenspel. Ik wil daar niet te veel over zeggen, het mysterie niet plat proberen te strijken, mijn interpretatie niet aan je opdringen, geen definitief oordeel vellen over het ‘nut’ van activisme. Kijk vooral wat je zelf ziet als je dit boek leest. Ik wil alleen nog twee kleine feiten noemen, twee dingen die ik voorafgaand aan het lezen nog niet wist, terwijl ze zo wonderbaarlijk zijn en tegelijkertijd zo alledaags, zo alomtegenwoordig.

Feit 1: verschillende boomsoorten die zijn omgehakt maar die hun wortels hebben behouden, kunnen nieuwe loten voortbrengen. Waar niet meer dan een stronk is overgebleven, komen al snel weer twijgjes tevoorschijn, waaruit met geluk een volwaardige boom kan ontstaan.

Feit 2: vele zaden groeien niet onmiddellijk uit tot een plant, maar wachten de meest gunstige omstandigheden af om te ontkiemen. Sommige verkeren zelfs duizenden jaren in sluimerstand, beiden hun tijd terwijl boven hen menselijke samenlevingen opkomen en vergaan.

Noem me naïef, maar dat vind ik troostrijk.

 

Alle goeds aan jou en aan de anderen,

Emy

Tekenen van het universum

Tijdens de opnames voor een televisieserie vindt er een sneeuwstorm plaats waardoor Emy en haar Frans-Canadese fixer in dezelfde hotelkamer belanden. Er is een wederzijdse aantrekking, maar omdat beiden al een relatie hebben houden ze zich in. Als ze besluiten met elkaar in contact te blijven, raken ze verstrikt in een emotionele affaire die steeds verder ontspoort. Dat is het uitgangspunt van Tekenen van het universum, maar de reis waarop Emy Koopman je meeneemt voert veel dieper dan het verhaal van deze willekeurige onmogelijke liefde. Dit is een boek over hoe we onszelf verliezen in romantische relaties, over hoe grenzen overschreden worden en over hoe we die laten overschrijden. Een boek dat de vraag stelt hoe we kunnen losbreken uit patronen die voor ons lijken te zijn uitgetekend en in hoeverre we dat willen. Scherp, spannend, intiem en prachtig geschreven. Een boek om heel dicht tegen je aan te drukken.

Meer over dit boek

Tot in de hemel

‘Tot in de hemel’ van Richard Powers is het verhaal van negen mensen die de wereld van de bomen leren zien – en horen. Een laadmeester bij de Amerikaanse luchtmacht die tijdens de Vietnamoorlog gered wordt door een bodhiboom, een verguisde wetenschapster die bomen met elkaar hoort communiceren, een kunstenaar met een bijzondere verzameling foto’s van een bedreigde kastanjesoort: deze drie, en nog zes anderen, allen onbekenden van elkaar, zullen op verschillende manieren betrokken raken bij een laatste, heftige verzetsdaad om de resterende paar hectare oerwoud van het Noord-Amerikaanse continent van de ondergang te redden. ‘Tot in de hemel’ is Powers ten voeten uit: een verrassende fusie van natuurwetenschap en literatuur, een monumentale roman over bomen en mensen. Het is een meeslepende vertelling over activisme en verzet, en tegelijkertijd een loflied op een wereld naast de onze.

Lees meer over Tot in de hemel

Rob Jetten

Rob Jetten (D66) studeerde bestuurskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hierna was hij werkzaam bij ProRail. Hij was landelijk voorzitter van de Jonge Democraten en was van 2010 tot 2017 lid van de gemeenteraad Nijmegen en fractievoorzitter van D66 Nijmegen. Van 2017 tot 2022 was hij Tweede Kamerlid. In Kabinet Rutte-IV is Rob Jetten minister voor Klimaat en Energie.

Meer over minister Jetten