De wildernis, waar jongens mannen worden: een nieuw verhaal van Manon Uphoff

In dit onheilspellende verhaal van Manon Uphoff neemt een vader zijn zoons – zeven en elf – mee op een kampeertocht door ‘de wildernis’ om hen iets bij te brengen over echte natuur. Als ze met hun auto een haas aanrijden, besluit de vader het dier te villen. Zonder enige voorkennis en met instructies van het internet op zijn telefoon slaagt hij er wonderwel in. Maar dan wordt het nacht.

Tags

Opvoeden Vaderschap Fictie

Support ILFU en zorg voor de fictie bij de feiten

Maak een account

Het weekend buiten; erfenis

Water is een economisch product. Deze uitspraak van de Nestlé-topman op tv; dat water een commercieel verhandelbaar goedje was, vormde de aanzet voor hun kampeertocht. Voor het besluit van Tobias (kunstenaar, beeldhouwer) om zijn twee kinderen – zijn zoons van zeven en elf – mee te nemen op een lang weekend ‘de wildernis’ in; het Zwarte Woud, dicht bij de beek De Murg. Zijn vrouw was bij haar ouders in Denemarken; eindelijk bezocht zij haar zieke vader, die ze in geen maanden had kunnen zien.

Ze vertrokken vroeg in de ochtend. In de kofferbak Tobias’ oude trekkerstent, een koelboxje, muf ruikende slaapzakken uit de kelder, truien, de regenpakken van de jongens, en wat bij elkaar geharkt kampeergerei. ‘Jullie zullen zien, we hebben daar niets nodig,’ zei hij.

Hun telefoons mochten wel mee.

Na een dag kwamen ze aan. Het regende zacht. Tobias zette de tent op onder het gebladerte.

Onderweg, op een Parkplatz, was er een man geweest, een zwerver, die hen zonder mondkapje vol in hun gezichten had geademd.

Hij had per se met hen naar deze plek willen gaan, want hij had er prachtige herinneringen aan, zei hij. Aan ‘echt buiten zijn’, aan ‘wild kamperen’. Ook al waren ze allebei nog erg jong, ze begrepen dat hij hen wilde vervoeren. Van een wereld die in zijn ogen te gemaakt, te gecreëerd was, naar een andere, rustigere, stillere wereld. Zonder de overvloed aan beelden, nieuws en dingen die maar bleven gebeuren — en dat hij graag wilde doen alsof dit mogelijk was.

Onderweg, op een Parkplatz, was er een man geweest, een zwerver, die hen zonder mondkapje vol in hun gezichten had geademd; een scherpe, zure mosterdadem, terwijl hij om geld vroeg. Ze hadden hem hun Sanifair-bonnetjes gegeven.

Het was kil. Tobias stak het vuur aan. Hij zweette, ademde zwaar – zijn voorhoofd rood als een baksteen – en schoof rond op zijn knieën, terwijl het vuur onregelmatig flakkerde en met grote aarzeling aanging. De jongens keken naar hem, hun vader, alsof ze konden zien dat hij volledig onvoorbereid was. Voor hen leek hij een verlaten, in de steek gelaten kind. Iemand die nog steeds dacht dat er een wereld was die hij aan hen moest overdragen. En die vreesde dat dit de oude wereld was. Verderop was gedruis te horen. Misschien van een verre weg, misschien van een waterstroom (de natuur die de geluiden van de stad imiteert, de stad die de geluiden van de natuur imiteert). Die nacht luisterden ze, en had Tobias een droom (alle lucht werd uit zijn longen gezogen, hij was alleen, zonder zijn kinderen, en hij doolde rond over een ijsvlakte).

Ik hou van natuurgeluiden, zei hij de volgende ochtend, ‘en van het geloei van een diepe, arctische wind’.

Al op de tweede dag liepen de jongens ver voor hem uit, met stevige stappen, hun handen uit hun zakken en heen en weer zwaaiend, op zoek naar een plek dichter bij de beek. Had iemand ze ernaar gevraagd dan hadden ze misschien gezegd dat ze dit al zo lang ze zich konden herinneren zo deden. Omdat hij zo’n angstig persoon was, die almaar in angst leefde. Zodat ze hem altijd probeerden gerust te stellen door zo ver mogelijk voor hem uit en van hem vandaan te lopen – en dat het geen probleem was, geen probleem.

Ze vonden de beek, en namen een nieuwe plek in, dicht bij het water.

Daar bleek dat Tobias niet aan drinkwater had gedacht. De pakjes sinas en blikjes cola waren allang op. En water uit de beek ging niet; die lag te diep, zei hij, met te veel stenen, die scherp of spekglad waren. We zullen ergens water moeten kopen, zei hij geïrriteerd, in flessen…

Ze begonnen opnieuw aan een lange, vermoeiende wandeling, terug naar de auto, reden, vonden uiteindelijk een winkel. Hij kocht bronwater, en op de terugweg – het schemerde al – reed Tobias een haas aan.

Wat te doen?

Wilde zwijnen, herten, reeën. Vaak is hun leefgebied ingeklemd tussen provinciale wegen. Op het moment dat u als automobilist een wild dier aanrijdt bent u verplicht de politie te bellen. Het dier meenemen, ook naar de dierenarts, is strafbaar

Tobias scrolde en las snel door.

Wanneer wild overlijdt kan worden nagegaan of het vlees geschikt is voor consumptie. Is het beest door de klap niet te zwaar gehavend? Zijn de ingewanden niet kapot, waardoor er maagsappen in aanraking kunnen komen met het vlees?

(…)

Hij keek naar de haas die op de donkere weg lag.

‘We zullen hem meenemen,’ zei hij. ‘En bij de tent maken we hem schoon.’

Hij had een dure messenset aangeschaft en was er vreemd trots op dat hij er inderdaad aan gedacht had zo’n set te kopen en dat hij dus inderdaad, in zekere zin, goed voorbereid was op deze calamiteit.

‘Daar maken we hem schoon en bereiden we ’m.’

(...)

De jongens keken naar het dode dier dat een grijze sombere herinnering leek, een verschijnsel uit een spookachtig verleden. Tobias vroeg zijn oudste om hardop voor te lezen. ‘We zullen hem eerst moeten villen.’ Hij was zich opvallend bewust van zijn gebruik van het woord ‘we’ en wat hij ermee probeerde te zeggen. Dat ‘zij’ de haas hadden geraakt en dat ‘zij’ nu met elkaar verantwoordelijk waren. En dat er geen enkele manier was, niet in zijn pas heroverde en ontdekte wereld, dat ‘zij’ gewoon hadden kunnen beslissen het dier op de weg achter te laten of ergens in de struiken te gooien en te doen alsof dit niet was gebeurd en er dus geen te beantwoorden vraag was aangaande hun verantwoordelijkheden en plichten in deze wereld. Nee, Tobias wist en voelde: nu konden daad en gevolgen opnieuw met elkaar verbonden worden. En dat zou hij zijn jongens laten zien en dat zou hij ze leren. 

Het bloed kan je gewoon gebruiken (om sauzen te binden) – opdelen, poten eraf/kop eraf

Het gemakkelijkst trek je de haas z’n jasje uit door hem aan beide poten op te hangen aan z’n achterpoten en voorzichtig de huid bij de enkels los te snijden, en met de hand de bontmantel als het ware naar beneden uit te trekken. Vaak kan je aan de huid goed zien waar de haas geraakt is; op die plekken zie je bloeduitstortingen.

Zorg dat je de gal niet raakt.

Ontweiden… 24 uur laten hangen.

Ingewanden eruit – buikwand groen? Zie filmpje. Oogjes eruit, maag eruit, gal eruit, lever, longen…

Het bloed kan je gewoon gebruiken (om sauzen te binden) – opdelen, poten eraf/kop eraf. In heel Duitsland eet men gewoon konijnenkoppen…

Botten geven heel veel smaak.

Maar toen hij eenmaal begon te steken en te snijden, en een poging deed om de harige huid over de rug en achterbenen te trekken, voelde hij walging. De haas was zwaar, zwaarder dan hij had gedacht en bungelde aan de zelfgemaakte standaard. (Bloed gutste eruit, droop naar beneden.) Er hing een onaangename geur, en zijn jongste sprong weg. Had hij meteen iets inwendigs geraakt? Een orgaan doorgeprikt? Tobias zweette en hikte nerveus terwijl hij zaagde. Een deel van de huid was afgesneden van de poten, het andere deel behoorde nog steeds stevig toe aan de haas, die niet losliet. Zweetdruppels prikten op zijn neusvleugels. Ze verwachtten dat hij zijn werk goed zou doen... 

Het geluid van de loslatende huid was afschuwelijk. Waarom wilde hij de haas bereiden? Ze aten nauwelijks nog vlees, zeker geen haas of konijn, ze wisten niets van ‘wild’. Maar terwijl hij zich door de beproeving heen werkte, de poten door de huid trok, het verdomde ding vilde, voelde hij: dit was opvoeding. Hoewel, misschien was hij zichzelf aan het opvoeden. Ik ben een vader die zijn zonen leert hoe ze moeten overleven, die zijn kinderen een gevoel van verantwoordelijkheid bijbrengt, dacht hij, terwijl hij probeerde geen aandacht te schenken aan het bittere lachje dat volgde, en de scherpe gedachte: je leert ze niets, je hebt ze nooit iets geleerd!

Welke wereld lag er straks voor hen klaar? Op welke wereld had hij ze voorbereid? 

Het leek allemaal grappig en zinloos. Hij dacht aan de afgelopen maanden waarin hij in zijn eentje in zijn atelier, een verbouwde schuur die grensde aan hun woning, had gewerkt aan zijn ‘meesterwerk’. Een metershoog beeld dat uit van alles en nog wat was opgetrokken. Uit organisch en anorganisch materiaal. Een werk waarmee hij hoopte het ultieme bewijs te leveren dat hij het verdiende om te leven. Of tenminste genoeg betaald te krijgen om nog een tijdje in leven te mogen blijven. En hoe hij in zijn poging dit te bewijzen – strenger en meer gesloten dan ooit – niemand in die ruimte had toegelaten. En, in wanhoop, steeds groter onderscheid maakte tussen zijn ‘creatieve werk’ en al het andere werk dat gedaan moest worden.

Het was Sophie-Anne die de jongens les had gegeven toen ze gedwongen thuis waren van school. Hij had zichzelf wijsgemaakt dat dit vanzelfsprekend was. Zij was logopediste… Zij had ervaring in het onderwijs…

Hij wist dat hij de ingewanden eruit moest trekken, en de gal niet mocht beschadigen – maar hij dacht dat hij iets raakte, er was weer een flard van die gruwelijke, dan snel verdwijnende geur. 

Hij werkte harder en probeerde niet te kijken naar de jongens die naar hém keken, gefixeerd, maar tegelijkertijd zijn blik vermeden.

Het ziet er nu nogal vreselijk uit, zegt hij. Maar later, later, wanneer we het klaarmaken en zullen eten…

Maar hij wist al, terwijl hij aan het snijden was, dat ze het ding dat de haas geworden was niet zouden eten en dat hij dit ook niet zou afdwingen. En dat maakte hem nog besluitvaardiger om het verdomde kreng te versnijden en gedegen te bereiden.

‘Wat gebeurt er nu mee?’ vraagt zijn jongste, kijkend naar het slachtfeest, het kleine tafereel van bloed en horror en stank dat hij tot stand had gebracht. ‘Wat er nu mee gebeurt?’ zegt hij, zijn stem hoog, ‘wat er nu mee gebeurt? Nou, we laten hem hier en bedekken hem een beetje, en laten hem een tijdje rusten, want, want, het moet een beetje rusten, het vlees moet een beetje besterven, en dan versnijden we hem verder en verhitten en braden we hem, we zoeken wat kruiden en eten hem op, en het zal goed zijn, het zal naar echt wild smaken, niet naar iets wat jullie al kennen.’

‘Dus we laten hem gewoon hier, buiten?’ zegt zijn oudste.

‘Ja,’ zegt hij, ‘ja.’

‘Wat kan er gebeuren?’ vervolgt hij, ‘er zijn hier geen wolven, roofvogels zullen er echt niet voor komen, het zal een nachtje besterven en morgen zullen we het verder klaarmaken, en het zal echt goed smaken.’

(…)

Die nacht werd hij wakker van een stekende zware pijn op zijn borst. Een drukkend, loden gevoel. Maar zijn blaas was vol. Traag, op handen en voeten, kroop hij over de twee slapende bulten de tent uit. 

Het was een stille nacht, met een halve maan.

Daar lag de haas, van de standaard gevallen (of getrokken?), op de grond. Hij dacht dat hij mieren zag.

(…)

‘Ik wilde iets achterlaten,’ zei hij, toen ze hem vonden. ‘Een paar vaardigheden, een paar dingen.’ Zijn vingers omklemden de lucifers, die nat waren, verkleefd, hij had het nu koud, zijn hart voelde zwaar en koud. 

Hij luisterde naar de regen die op de tent viel, de druppels, een zware klomp in zijn keel.

De jongens openden zijn blouse, streelden zijn borst met hun vingers. (Tobias herinnerde zich hoe ze op zijn borst hadden gelegen toen ze klein waren, daar vredig op in slaap vielen.) Het is al goed, papa, zeiden ze, deze vingers. We komen er wel uit, we vogelen het zelf wel uit. Hij voelde hoe ze hem met vereende kracht terug de tent in sleepten, duwden, trokken, de slaapzak voorzichtig over hem heen legden.

Hij luisterde naar de regen die op de tent viel, de druppels, een zware klomp in zijn keel.

Hij herinnerde zich plotseling een meisje uit zijn klas, een mager verdrietig klein ding met slechte tanden – en hoe ze haar allemaal hadden veracht, bespot, en hoe hij altijd had geweten dat zijn leven beter zou zijn dan het hare, en dat het zo zou moeten zijn. En hij zou vrij zijn, een scheppend leven leiden. 

Hij dacht aan zijn atelier, het kunstwerk dat hij daarbinnen aan het maken en eindeloos aan het bewerken was. De hele sfeer van conceptie en artistieke ‘heiligheid’ die hij had gecreëerd, want daar was hij; de grote schepper, daarbinnen, scheppend... Het was allemaal reactie, respons, niets geschapen, dacht hij, alle ideeën; alle individualiteit. Mijn naam is niemand.

Hij glimlachte.

De regen viel op de tent, ‘water is een economisch goedje’, had de Nestlé-man gezegd. ‘Het goede volk heeft water nodig, hollerie, hollera!’

‘De kunst is, het is...’ hij keek naar zijn jongens, hun zachte wijze blanke gezichten... en begon opnieuw: ‘In mijn tijd…’ ‘Het is... ik... ik werk graag aan een stuk, een beeld, weet je... ik raak het graag aan met mijn handen…’

Ze knikten. Tobias voelde een scherpe pijn toen hij naar zijn jongens keek en zich herinnerde hoe hij hen absoluut, absoluut verboden had zijn atelier te betreden. Niet terwijl hij erin aan het werk was, maar ook niet als hij klaar was en het achter zich afsloot.

(Het is allemaal voor niets, dacht hij, wakker geschrokken, warmer nu, onder de slaapzak, in de vochtige tent. Ik heb ze niets geleerd.) 

Het was heel vroeg. 

(En ze zullen het ding in het atelier vinden en zullen niet weten wat ik ermee bedoelde, het kan niet eens worden verplaatst.)

Aan de hemel hing nog de bleke maansikkel. Er was nauwelijks wind, het was rustig, kalm, de tent was open.

Voor de tent zaten gestaltes, zijn jongens, ze zaten voor de tent, gebogen over iets. Ze keken niet achterom, alsof ze hem al waren vergeten. Ze fluisterden, de jongste sneed. De oudste plukte met duim en wijsvinger behendig de talloze zwarte mieren van het dode dier. Ze fluisterden, hij verstond niets van wat ze zeiden, het leek te ver weg en in een andere taal.

De oudste reikte de jongste spullen aan. Zijn messen? Hij keek naar de naakte rug van zijn jongste, de wervels. Het was een magere witte rug, de rug van een magere jongen. Onderaan, boven de billen, puntig van het gebrek aan vet, zag hij, groeide een plek, zwart, grijs, een beetje wit. Lange stugge haren; een wilde, ruige plek…