In Memoriam Leonard Nolens (1947-2025)

Tags

Poëzie In Memoriam
Foto: Anna van Kooij

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

In het ‘jubileumkwartet’, uitgegeven ter gelegenheid van 40 jaar Nacht van de Poëzie zat Leonard Nolens in de categorie ‘Vlaamse Reuzen’, met het bijschrift: “Grootste nog levende Vlaamse dichter. In Vlaanderen nu al jarenlang de Grote Een. Typeert zichzelf graag als ‘een gearriveerde poète maudit.’ Nolens behoorde tot de enkele Nederlandstalige schrijvers die ooit als serieuze kanshebbers op de Nobelprijs golden. Niet dat de spotlights die bij zo’n prijs horen hem bekoord zouden hebben; hij bracht zijn leven overwegend door in betrekkelijk isolement: ‘Vandaag beproef ik weer het prachtig fatsoen / Om met mezelf te praten over mij.’ Die voortdurende innerlijke dialoog leverde prachtige bundels op, in 2011 verzameld in Manieren van Leven. In 2012 ontving hij de Prijs der Nederlandse Letteren uit handen van koningin Beatrix, de hoogste bekroning in ons taalgebied, daarvoor al had hij de Jan Campertprijs (1991) en de Constantijn Huygensprijs (1997) gekregen.

Leonard Nolens stond achtmaal op het podium van De Nacht van de Poëzie. Hoewel ook dat evenement haaks stond op de beslotenheid van zijn schrijfkamer, was hij er toch helemaal thuis. Henk Blanken schreef over Nolens' optreden in 1992, tevens het jaar waarin de dichters voor het eerst op een groot videoscherm boven het podium te zien waren:

“Het is maart, en het is laat, en op het podium in Utrecht staat de Vlaamse dichter Leonard Nolens. Achter hem hangt een scherm van vijf bij zes meter waarop de opname wordt geprojecteerd die een televisiecamera terzelfdertijd van hem maakt. Dankzij het scherm heb je nu de keus naar de dichter te kijken of naar zijn uitvergrote kop, zijn oogopslag, de trillende vingers, het bevende A-viertje, de nerveuze tic - of naar de absolute rust en zelfbeheersing van een heel goede poëzielezer als Nolens.

Nolens, zijn stem, zijn gedichten en het scherm maken op slag duidelijk waar het hier om gaat: uitvergroting. Want Nolens is een typisch Vlaamse dichter, in die zin dat hij niet terugschrikt voor ‘grote’ woorden. Zijn kalme stem is, als die van een operazanger, ‘groot’ genoeg om vijfentwintighonderd mensen met aangrijpende, beeldrijke, melodieuze poëzie tot luisteren te dwingen. Daar kan geen scherm tegenop: je kijkt en luistert naar Nolens zelf, niet naar zijn beeltenis.”

Stiknerveus was hij die avond, vertelde hij aan de krant, maar na afloop zielsgelukkig: ‘Het is een fantastisch publiek. Zulke manifestaties halen me uit mijn zelfgekozen isolement. Zo overleef ik nog een tijdje.’

Zijn laatste optreden op De Nacht vond plaats in 2014. Ik herinner me van die avond twee dingen. Ten eerste iets wat in de annalen van De Nacht ‘saucijzenbroodjesgate’ is gaan heten (en ook een kaartje in het kwartet is geworden, trouwens).

Rond een uur of twaalf, als de helft van de lange dichtersmarathon er zo’n beetje op zit, wordt naar goed gebruik de ‘nachthap’ geserveerd; een verzameling hartige zaken voor de dichter die inmiddels wel trek heeft gekregen, maar weigert de foyer te verlaten om ergens in de rondgangen op zoek te gaan naar de haringkar. Leonard was zo iemand. Samen met zijn vrouw Leen had hij op het televisiescherm de voordrachten op het podium gadegeslagen. Iets hartigs was zo langzamerhand wel gewenst. Er kwam iemand langs met een groot dienblad vol kaas- en saucijzenbroodjes.

Judith Herzberg was de eerste die verderop in de foyer een exemplaar van de schaal pakte en direct haar ongenoegen over het wanstaltige formaat van het gebodene uitte. 'Dit is toch veel te groot, dat kun je nauwelijks vastpakken'. Ze probeerde het inderdaad wat fors geschapen broodje nog op een elegante manier met een servet van het blad te tillen maar het gladde bladerdeeg was niet genegen mee te werken. Toen ze eenmaal haar vingers onder het kontje van het broodje had gewipt en het zo van de schaal had weten te tillen, boog de voorzijde steeds verder door totdat het erbij hing als de nek van een dood vogeltje. De vrije hand die ze als valnet gebruikte, kon niet voorkomen dat ze de helft van het broodje alsnog verloor en tegen de grond zag slaan. Het kan zijn dat ze een tikje gramstorig reageerde. Geschrokken maakte de medewerker rechtsomkeert met het dienblad en de bijeengeveegde resten deeg.
‘Denkt u dat die worstenbroodjes nog terug zullen komen?’ vroeg Leonard aan de andere kant van de tafel, enigszins bezorgd dat hij zich door Judith Herzberg van een versnapering had laten beroven. De medewerker maakte echter vlot zijn rentree en bood de aanwezigen nu een stukje keurig, tot behapbare eenheden teruggesnoeid saucijzenbrood aan. Toen Leonard er eentje tussen duim en wijsvinger van de schaal nam, monsterde hij het partje brood aandachtig en merkte op dat dit toch wel erg karig was, ‘het was nauwelijks nog een worstenbrood te noemen.’
Op de een of andere manier is die droogkomische slapstick rond twee van de grootste dichters uit ons taalgebied mij ook bijgebleven als een illustratie van hun beider poëtica’s: die van Judith compact, elliptisch, spreektalig en vol kleine beelden, die van Leonard barok, breedsprakig, weelderig en vol grote woorden.

Leonard Nolens in 2014 (Foto: Anna van Kooij)

Hij droeg die Nacht op het podium voor uit zijn voorlaatste bundel Opzichtige stilte, schitterende gedichten over zijn verblijf van twee maanden in een ontwenningskliniek. Hier gaat de eenling, de solist, die ‘levenslang bang bang bang voor de groep’ is geweest alsnog op in een populatie van verslaafden, depressieven, ‘een doelgroep van losgeslagen figuren’. ‘Wij sloffen de gang op en worden als kleinvee bijeen/ gedreven in de galmende kraal van de refter.’ Naast de weergaloze beschrijving van zijn tijd in de kliniek, geeft dit wellicht de grootste kracht aan die bundel: de wijze waarop hij het al vaak door hem gebruikte thema van het individu versus de samenleving, of het ik in relatie tot de ander, na zijn noodgedwongen ervaring als onderdeel van een groep opnieuw beschouwt.

Eigenlijk zou Leonard een jaar eerder, in 2013, al op De Nacht hebben gestaan, maar hij was door ziekte verhinderd. Hij was herstellende van een hartstilstand die hem twintig minuten lang een voorproefje had gegeven van de dood. Hij was daar graag bij geweest, bij die Nacht, vertelde hij toen hij een jaar later uiteindelijk alsnog in de artiestenfoyer zat. De Nachtregel van die eerdere editie, ‘Kom o nacht en wis mij uit’ van de door hem bewonderde Pessoa, paste hem beter dan de nachtregel het jaar erna: ‘Dansen op de bodem van de nacht.’ Dat is mijn tweede particuliere herinnering aan die avond: Nolens die uiterst geconcentreerd, alsof hij de woorden als kleinvee bijeen moest drijven in de galmende kraal van zijn eigen hoofd, Pessoa citeerde: ‘we zijn stuifmeel dat opwaait in een onbekende wind en neerkomt op de plek van het toeval.’ Een zin die afkomstig was uit een dagboekfragment uit het Boek der Rusteloosheid dat, nu ik het teruglees, in zijn geheel van toepassing is op Leonard Nolens:

'In de schaduw de adellijke individualiteit bezitten die niets eist van het leven. In het draaiende bestel als stuifmeel zijn dat een onbekende wind opwaait in de middaglucht en de roerloze schemering neerlaat op de plek van het toeval, niet te onderscheiden tussen grotere dingen. Dat alles zijn, zelfverzekerd, vrolijk noch bedroefd, de zon dankbaar voor haar glans en de sterren voor hun afstand. Niet méér zijn, niet méér hebben, niet méér willen... De muziek van de hongerlijder, het lied van de blinde, de relikwie van de onbekende reiziger, de voetstappen in de woestijn van de kameel zonder lading of doel...'