'Ik ben strijdbaar en ik houd van strijdbare mensen' – een monument voor Tjalie Robinson

Welke literaire stemmen mogen (nog) veel wijder verspreid en luider gehoord worden? In de serie Literair Monument brengen schrijvers een auteur voor het voetlicht die hen beweegt, intrigeert, aan het denken zet, inspireert, raakt. Toen de Nederlands-Arubaanse auteur Julien Ignacio vijf jaar geleden een writer’s block kreeg, toonde het leven en werk van migrantschrijver Tjalie Robinson (1911-1974) hem dat je kunt schrijven met je vuisten.

Tags

Identiteit Migratie
Een getekend portret van Tjalie Robinson. Hij schrijft met een potlood op een notitieblok Op de achtergrond gaat het Indonesische landschap over in het platgeharkte Nederland
Beeld: Raymond Teitsma

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

Een literair monument voor Tjalie Robinson

Als Nederlandstalige schrijver met Afro-Caribische roots heb ik lang gezocht naar mijn eigen stem en identiteit. Ben ik of/of, of en/en? Aan welke cultuur, taal en gemeenschap ben ik loyaal? Moet ik überhaupt kiezen? Hoe verwerk ik mijn migrantenachtergrond in mijn verhalen en romans?

Terug naar vijf jaar geleden. In Amerika a man named George couldn’t breathe anymore. Als twee wilde katten vlogen mijn zwarte en witte identiteit elkaar in de haren. Ik was woedend en bang, verdrietig en verward. Wie ben ik? Waar hoor ik bij? Ik wilde een serie verhalen schrijven waarin de migrantenervaring centraal stond. Een boek waarin iedere stem een persoonlijke zoektocht naar vrijheid vertolkte. Verhalen die een gezicht zouden geven aan de mensen achter de ‘migrantenstroom’.  

Maar hoe bracht ik dit onder woorden? Wekenlang hield een writer’s block me in een wurggreep. Ik stond op een tweesprong. Bleef ik een kwijnend, twijfelend ‘halfbloedje’ dat leed aan een chronische identiteitscrisis? Of werd ik een engel van gemengd vlees die vloog op de vleugels van zijn gekleurde diversiteit?  

Mijn kennismaking met het leven en werk van de Indo-Europese rasschrijver Tjalie Robinson (pseudoniem van Jan Boon, 1911-1974) bood een uitgang uit mijn impasse. Als zoon van een Indische moeder en een Hollandse beroepsmilitair van het KNIL, groeide Boon op in de koloniale samenleving van Indonesië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog overleefde hij als krijgsgevangene drie Japanse interneringskampen. Na de oorlog begon hij onder het pseudoniem Tjalie Robinson te schrijven voor Nederlandstalige media. Vooral zijn reportageserie Piekerans van een Straatslijper was populair. Als chroniqueur van de stad legde hij het leven in Jakarta vast in een mengeling van Nederlands en Petjoh, een op het Maleisisch gebaseerde straattaal. Vanwege de politieke omwentelingen in het land van zijn moeder vertrok hij in 1954 naar Nederland. Onder zijn tweede pseudoniem Vincent Mahieu herschiep hij zijn Indische leefwereld in verhalenbundels als Tjies (1956) en Tjoek (1960), volgens zijn biograaf Wim Willems geschreven ‘met de bravoure van Hemmingway en de magie van Márquez.’

Stadsmensen konden met minachting of neerbuigend medelijden neerkijken naar dat wezentje in verschoten jurken en versleten tennisschoenen. Jagers zagen alleen het wezen. En ze noemden dat wezen Tjoek. En zij wás Tjoek. Eigenlijk heette ze Gerda. Maar Gerda staat voor al wat lieflijk en gelijkmoedig is. Zij was geladen en explosief. Van een aparte geladenheid.

Uit: 'Tjoek'

Zijn leven lang beschouwde Robinson zichzelf als een Indo-Europeaan, een mengbloed, ‘zich van beiderlei afkomst gelijkelijk bewust’, een kind van Oost en West (uit: Moesson). In zijn tijd gedroeg de doorsnee-Indo, in zoverre je daarvan kunt spreken, zich volgens Nederlandse opvattingen doorgaans bescheiden, ingetogen, op het onderdanige af, beleefd en gastvrij, maar ook als iemand die altijd iets te verwerken heeft en heeft leren slikken.

Strijdbare mensen

Robinson behoorde tot een strijdlustigere generatie. ‘Ik ben strijdbaar en ik houd van strijdbare mensen,’ schreef hij in het door hem zelf opgerichte Indische tijdschrift Moesson. In zijn verhalen komen dan ook vaak vechters en buitenbeentjes voor, jagers en smokkelaars. Als straatslijpers in de stad, boslopers in de natuur, leven ze in de marges van hun maatschappij, aan de rand van de kampong, buiten de westerse verhoudingen en ethiek. Hun inborst is meedogenloos als het leven zelf, maar ze zijn ook instinctief trouw en zelfopofferend. 

In het sleutelverhaal ‘Tjoek’, door criticus Rob Nieuwenhuys een van de allermooiste verhalen uit de Indische literatuur genoemd, wordt het stoere Indo-Europese meisje Tjoek geïntroduceerd als ‘onvermoeibare zwerver, onbevreesde vechter en roekeloze zwemmer’. We leren haar kennen als iemand die alle sterrenbeelden kent maar niet hun namen, iemand die de Melkweg de Paradijstuin noemt: ‘Tjoek had haar eigen firmament.’ Haar partner in crime is Man, ‘een kleine, zwijgzame, arme, donkere jongen,’ die eigenlijk Zilverster heet, geweerdrager is in jachtclubjes en stiekem een voortreffelijk schutter is. Hij leeft net als Tjoek naar eigen norm en moraal. Als hij sterft wil hij niet op een belachelijk kerkhof liggen, ‘met al die nette rijtjes geraamten als gelederen afgekloven soldaatjes’, maar sterven als een hert of vogel, ‘grafloos en deel van de aarde’. 

Aan alles merk je dat Robinson van zijn personages houdt zonder ze op een voetstuk te plaatsen of ze te gebruiken als speelballen van een ingewikkeld plot. Ze leven weliswaar aan de onderkant van de samenleving, maar ze leven ook blootsvoets en vrij onder de genadige zon, ‘geboren met duizend kilometers in hun ogen, met de geur van humus en gambir [betelnoot] in [hun] neusgaten.’ Zonder geld voor schoenen kloppen Tjoeks blote voeten zacht in het stof, terwijl ze gelooft dat ze loopt op zachte, hemelse wolken. Met een aan Nescio denkende nostalgie schrijft Robinson over zijn Indische jeugd en kindertijd en geeft zo een literair podium aan de ongehoorde stem van de ‘kleine boeng’, letterlijk ‘de kleine broer’ of ‘kleine Indo’, onderaan de sociale ladder, de pauperklasse van moederskant waar hij zelf uit voortkwam.

Ze viel op haar knieën bij me neer en streelde mijn gezicht, de haren wegstrijkend, afwisselend troetelwoordjes fluisterend en snikkend met hysterische uithalen. Ik wilde wat zeggen, maar ik was gaga en alleen met de grootste moeite kon ik uitbrengen: ‘Stil, stil, je mag nooit meer praten.’ We lagen op onze knieën tegenover elkaar. Alsof we aan het bidden waren. Of zo maar twee gebutste, waardeloze conservenbusjes.

Uit: ‘Wharrrr-wharrr-wharrrrr!’

Wie de brieven en verhalen van Tjalie Robinson en Vincent Mahieu leest, merkt gelijk hoe elegant én recht op de man hij schrijft. Zoals Mohammed Ali, floating like a butterfly, stinging like a bee

Levendig geweld

Je hoort Robinson als het ware spreken wanneer je hem leest, op een zangerige toonhoogte, met een licht Indisch accent en scherpe, verrassende stembuigingen. Een uniek, levendig Nederlands, dicht op de spreektaal, beeldend en origineel, en waarin naast het Nederlands ook plek is voor Engels, Duits en Frans, straattaal, karakteristieke klanknabootsingen en Indonesische woorden. Een meertalige stijl die stem geeft aan de veelkleurige facetten van de migrantenervaring.

Met een uniek soort levendig geweld word je als lezer de teksten binnengetrokken van een man die gevaarlijk wilde leven, die van motorrijden, jagen en boksen hield en dol was op vissen in een klein bootje op open zee. In het schitterende verhaal ‘Wharrrr-wharrrr-wharrrrr!’ uit Tjies, een klanknabootsing van de opengetrokken gashendel van ‘vechtlustige motors’, opent een naamloze motorrijder op zijn razendsnelle vier-takt ‘de Jacht op de Eeuwige Jachtvelden, waar alleen wind is en geraas en nimmermeer beperking… Howgh!’ Wanneer de motorrijder een meisje achterop meeneemt naar zee en hij haar voet op een millimeter na verbrijzelt tegen een brugleuning, hoort hij haar verrukte lachje dicht bij zijn oor. Een beetje verliefd, de adrenaline van een ontsnapping aan de dood of een verminking gierend door hun lijf, kijken ze op het strand bij Priok sprakeloos naar de schoonheid van de zee en de maan.    

‘Haar silhouet leek eeuwenoud. Tijd was slechts een spiraalloop in het grammofoonplatvlak van het leven. De naald van de soundbox springt een millimeter naar links en je leeft nu, een millimeter naar rechts en je leeft in de middeleeuwen. Ik sprak: ‘Laura heet je? Het is de mooiste naam die ik ken.’ En ik vertelde van Petrarca… En van mijn nieuwe, zelfgemaakte filosofie: de Absolute Noodzaak van het Geweld voor het Bewaren van het Evenwicht in de Cultuur. Pshaw!’

Uit: ‘Wharrrr-wharrr-wharrrrr!’

De verhalen die Robinson als Vincent Mathieu schreef, noemde hij zelf het liefst ‘vertellingen’. Dit woord benadrukt de oosterse, orale traditie waaruit zijn verhalen voortkwamen. Robinson lezen is als luisteren naar een vertelling, opgedist onder de blote hemel rondom een kampvuur of onder een kapokboom. Zijn verhalen zijn lenig van structuur, en juist door hun soepele vorm is er ruimte voor een speelse verstrengeling tussen beschouwing en lyriek, droom en werkelijkheid, het zinnelijke en het filosofische, symboliek en werkelijkheid. Voor Robinson waren literatuur en kunst geen verheven bezigheden, uitgevoerd door wereldvreemde, getormenteerde zielen. ‘En dat ze zeggen dat kunst scheppen roeping is en hoofdzaak’, schreef hij in dezelfde brief aan Maria Dermoût. ‘Onzin. Leven is het enige waarachtige, als het vliegen van een kogel. Schrijven is maar het gefluit ervan.’

De vuist waarmee ik mijn writer’s block knock out sloeg

In het eerdergenoemde sleutelverhaal ‘Tjoek’ (een jagersverbastering van het Engelse choke, een vernauwing aan het einde van de geweerloop) speelt de jacht als een vorm van intens en lijfelijk leven in de natuur een centrale rol. Maar het staat ook symbool voor het leven zelf, voor het jagen en gejaagd worden. Tegelijkertijd gaat het tragische liefdesverhaal over de filosofie van de jacht, over de verhouding tussen leven en dood, met de dood als enige bestaanszekerheid. In dit magisch-realistische sprookje en een rauwe straatdocumentaire ineen, plant Robinson de dood neer daar waar hij hoort: middenin het hart van ons leven.

Rauw en oorspronkelijk, weerbarstig, creatief en vrij – het literaire werk van Robinson/Mahieu was de vuist waarmee ik mijn writer’s block knock out sloeg. De inspiratie om nieuwe wegen in te slaan richting Goudjakhals, een bundel meerstemmige verhalen met één overkoepelend thema: de migrant als levenskunstenaar.

Lees ook Goudjakhals van Julien Ignacio

Iedere stem in deze roman vertolkt een persoonlijke zoektocht naar vrijheid en geeft een gezicht aan de mensen die een bestaan opbouwen in een land van vreemden. Goudjakhals speelt zich af op de fonkelnieuwe grachten van Amsterdam in de zeventiende eeuw, op de eilanden Aruba en Curaçao, in de kapotgeschoten straten van Beirut en Aleppo, in een vluchtelingenkamp op Lesbos onder erbarmelijke omstandigheden. Aan het woord komen onder anderen Zwarte Sjaan, een Amsterdamse sekswerker van kleur in de tijd van Rembrandt; Ma Mercedes, eigenaresse van een rumshop in Zeewijk; Tarek, een Palestijn met een gebroken en gespleten hart; en een Iraanse Koerd met detentienummer meg45, die in zijn onmogelijke situatie bevriend raakt met AI-software.

Meer informatie