Deze schrijver is het levende bewijs dat fictie je helpt de wereld te begrijpen

Francesca Lo Basso gooide haar leven radicaal om na het lezen van de roman Wat ze droegen van Tim O'Brien, veertien jaar geleden. Om te achterhalen waarom literatuur dit vermogen heeft, gaat ze te rade bij haar eigen ervaringen en de wetenschap. "Romans, van De hut van oom Tom tot 1984, worden sinds jaar en dag gebruikt om sociaal-politieke problemen in de echte wereld bij lezers aan te kaarten. En dit werkt. Ik kan het weten, ik ben het levende bewijs. En ik heb wetenschappelijk bewijs dat mijn verhaal bevestigt."

Thema

Tags

Essay #WhyFictionMatters Oorlog
Foto Simon Berger / Unsplash

ILFU zoekt 1000 lezers die de fictie steunen

Vertel me meer

Hoe lezen vorm kan geven aan het echte leven


Vertaald door Maaike Harkink


In het najaar van 2003 begon ik aan mijn universitaire studie, ik was toen zeventien jaar. Het voorafgaande jaar had ik samen met mijn studiegenoten gewijd aan het ontleden van nieuwsartikelen over de oplopende spanningen tussen de Verenigde Staten en Irak voor een vak over bestuur en politiek. De oorlog was niet langer theorie, maar onvermijdelijk geworden, en intussen wist ik niet hoe ik mijn afschuw onder woorden moest brengen of hoe ik er überhaupt mee om moest gaan. Maar toen, zes maanden na de eerste Amerikaanse inval in Falluja, las ik Wat ze droegen van Tim O’Brien.

O’Brien vertelt in deze veelbekroonde romanversie van zijn ervaringen in de Vietnamoorlog het verhaal van Rat Kiley en Curt Lemon. Rat en Curt zijn beste vrienden en onafscheidelijk, tot het moment waarop Curt tijdens een potje vangbal op een verborgen landmijn stapt en op slag dood is. De abruptheid van het incident en de plaatsing ervan midden in een verder lome scène laat iets zien over de willekeur van oorlog. Maar wat me het meest trof, datgene wat me motiveerde om uit te zoeken wat ik daadwerkelijk kon doen in plaats van enkel te begrijpen, is de scène die erop volgt. 

De verteller, die soldaat is in dezelfde ploeg als Curt en Rat beschrijft aan de lezer dat ze kort na de dood van Curt op een waterbuffelkalf stuiten. Rat aait zijn snuit… en schiet hem vervolgens in de knie, in de rug, twee keer in de flanken. Stukje bij beetje vernietigt hij de buffel. De verteller meldt: 

‘Als ik dit verhaal vertel, komt er na afloop zo nu en dan iemand naar me toe om te zeggen dat ze het zo goed vond. (. . .) Ze legt uit dat ze in de regel een grote hekel aan oorlogsverhalen heeft; (. . .) Maar dit vond ze een mooi verhaal. Die arme babybuffel, daar werd ze verdrietig van. (. . .) Wat ik moet doen, zegt ze, is het allemaal achter me laten. Nieuwe verhalen zoeken om te vertellen.

Ik zeg dit niet, maar ik denk het: (. . .) Domme kut.

Omdat ze niet geluisterd heeft.

Het wás geen oorlogsverhaal. Het was een liefdesverhaal.’

Niet alleen belichtte het verhaal van Rat en Curt voor mij dat het menselijk leed dat oorlog veroorzaakt veel verder reikt dan de dood, maar het zorgde er ook voor dat ik de smart daadwerkelijk voelde, al was het maar een fractie ervan. Romans, van De hut van oom Tom tot 1984, worden sinds jaar en dag gebruikt om sociaal-politieke problemen in de echte wereld bij lezers aan te kaarten. En dit werkt. Ik kan het weten, ik ben het levende bewijs. 

En ik heb wetenschappelijk bewijs dat mijn verhaal bevestigt. 

In een recent artikel met de titel ‘Sitting Still and Reading: Rethinking the Role of Literary Fiction in Civics Education,’ pleit literatuurwetenschapper Annie Schultz voor het belang van literatuuronderwijs naast de nabootsing van maatschappelijke handelingen. Ze stelt dat het uitdagen van studenten om bij te dragen aan maatschappelijke activiteiten zoals vrijwilligerswerk in de gemeenschap of Model United Nations-conferenties gepaard zou moeten gaan met ‘literaire representaties van existentiële reizen naar politieke bewustwording.’ En dat hierdoor ‘lezen en denken emancipatoire activiteiten kunnen worden.’

Sterker nog, een groot en groeiend aantal onderzoeken toont aan dat fictie het bewezen vermogen heeft om lezers ruimdenkender, empathischer en medelevender te maken – vermogens die cruciaal zijn om ervoor te zorgen dat we heelhuids uit een wereldwijde pandemie komen en in grotere sociale gelijkheid leven na een cultuur van gemilitariseerde blanke overheersing.

Waarom? Misschien omdat een lezer veel tijd doorbrengt met een roman: uren, dagen, weken, veel langer dan bij het consumeren van welke andere kunstvorm dan ook. Deze tijd van concentratie geeft de lezer een verpersoonlijkte ervaring van de ander, waardoor zijn bewustwording van en waardering voor verschillende perspectieven toeneemt 

De Canadese cognitief psycholoog Keith Oatley, die al tientallen jaren onderzoek doet naar de effecten van fictie op de psychologie, ontdekte dat de neurale mechanismen die de hersenen activeren om verhalen te verwerken, gelijk zijn aan sommige equivalenten in het echte leven. Bij het lezen van bijvoorbeeld het woord ‘schop’ of over iemand die aan een koord trekt, worden dezelfde hersengebieden geactiveerd die gerelateerd zijn aan fysiek schoppen of grijpen.

In een zeker onderzoek kwam naar voren dat bepalend bij het al dan niet lezen van fictie voor de simulatie van het standaardnetwerk van de hersenen (hieronder wordt dat netwerk verstaan waarvan wordt aangenomen dat het het menselijk vermogen ondersteunt om zich bezig te houden met overpeinzen en het simuleren van hypothetische scènes, ruimtes en gemoedstoestanden) was ‘of ze al dan niet een persoon of de mentale gemoedstoestand van een persoon beschreven.’ Met andere woorden: bij blootstelling aan de denkprocessen van een personage werd een dieper niveau van reflectie aangewakkerd dan bij het lezen van ‘niet-sociale passages.’

De intimiteit van de relatie van een lezer met de innerlijke dialoog van een fictieve verteller is misschien wel een van de meest uitzonderlijke kenmerken ervan, een proces dat Schultz beschrijft als ‘het binnenstebuiten keren van innerlijke levens van onderdrukte personages.’

Veertien jaar nadat ik voor het eerst het boek van O’Brien las, bevond ik me weer op mijn oude universiteit. Ik gaf er een cursus schrijven en gebruikte hetzelfde hoofdstuk uit Wat ze droegen: die met het verhaal over Rat en Curt. In het boek identificeert de verteller zich nergens met een naam of sekse, maar een jonge cisman-student zei zeker te weten dat de verteller mannelijk was, omdat de verteller niet overvloedig was in het delen van hun emoties. Toen ik hem vroeg welk personage volgens hem de meeste emoties toonde in het verhaal, was hij even stil en zei: ‘Huh… Rat. Een man.’

Het kan zijn dat dit inzicht een luikje heeft geopend in het hoofd van deze student en wellicht liet hij vanaf dat moment het idee varen dat mannen niet in staat zijn veel emoties te tonen. Er is een groep onderzoekers die stelt dat met ‘het lezen van andermans geschreven werk je je in hun hoofd begeeft. Wanneer je op die manier in het reine komt met de gedachten van een ander, kun je die van jezelf ook beter ontdekken.’ Door dit te doen kunnen we nieuwe perspectieven ontdekken waardoor we onszelf en anderen beter begrijpen. Schultz besluit haar artikel als volgt: ‘We vragen studenten niet om hun denken te beperken tot datgene wat acceptabel is binnen de bestaande talen en systemen, maar veel meer nog om verteller te worden van hun eigen verhaal en hun eigen geschiedenis en op deze manier allereerst henzelf en vervolgens de samenleving vorm te geven.’

Jaren geleden stuitte ik in een tweedehands boekenwinkel op Plato’s Apologie, waarin hij verslag doet van de verdediging van Socrates toen deze terecht stond voor het ‘verderven van de jeugd van Athene’. Socrates legde uit dat hij probeerde de verkondiging van het orakel in Delphi te weerleggen dat hij de meest wijze van alle mensen was, maar na iedere interactie die hij had met mannen over wie hem was verteld dat ze wijs waren, stelde hij vast dat dit niet het geval was. Het waren deze onthullingen van schijnwijsheid (en, zo stel ik me voor, zijn hoogmoed) waardoor hij op de bewondering van de Atheense jeugd kon rekenen. 

Een van de groepen die Socrates met een korrel zout neemt is dichters. In zijn disputatie zegt hij: ‘Dichters schrijven geen poëzie vanuit wijsheid, maar vanuit een soort goddelijke ingeving en inspiratie.’ Hij beweerde dat dichters niet wijs kónden zijn, omdat hun werk zijn oorsprong vond in verbeeldingskracht, maar ik – en misschien de jury die hem schuldig verklaarde en ter dood veroordeelde met mij – geloof dat het tegendeel waar is. Juist in de verzonnen, fictieve ruimte kan de waarheid worden gevonden, precies omdat het niet beweert de waarheid in pacht te hebben. Veel meer verschaffen verhalen de lezer een ervaring waarop kan worden gereflecteerd en waaraan betekenis kan worden ontleend.

Lezen lezers fictie, dan weten ze dat ze getuige zijn van personages, locaties en situaties die door mensen zijn gevormd. Deze broodnodige suspension of disbelief: waarbij je rekening houdt met de mogelijkheid van andere realiteiten, komt erop neer dat lezers van fictie niet alleen de wereld leren begrijpen zoals hij is, maar bovendien hoe ze zich een ándere wereld kunnen voorstellen. Het is dit actieve spel van de verbeelding, dat alternatieve toekomsten mogelijk maakt, een toekomst zonder eindeloze gewelddadige conflicten bijvoorbeeld. 

Een white paper dat de Amerikaanse nationale academie van wetenschappen in 2017 publiceerde gaat nog verder en betoogt dat narratologie: ‘de studie naar verhalen, verhaalstructuur en de discourse over verhalen’ en narratieve psychologie: begrip van ‘hoe verhalen cognitieve processen beïnvloeden’ zouden moeten meewegen voor de nationale veiligheid. De white paper werd gepubliceerd als reactie op een beleidsbrief die werd verspreid door het ministerie van Defensie die zich richt ‘op een kritieke en blijvende uitdaging in oorlogsvoering: de noodzaak om de drijfveren van relevante actoren te doorgronden alsook het fundament van hun wil.’ De auteurs van de white paper schrijven:

Mocht er twijfel zijn over het belang van verhalen (. . .) voor de nationale veiligheid, dan hoeft men slechts een blik te werpen op de gebeurtenissen die in het dagelijks nieuws worden weergegeven (. . .): ergens voorafgaand aan de activiteit die internationale aandacht trok, vond op enige manier communicatie plaats die resoneerde bij een publiek, dat op zijn beurt meer redenen zag om er wat mee te doen, dan het naast zich neer te leggen. 

Dit punt wordt in 2020 met de dag saillanter.

Ik wil niet beweren dat O’Briens boek me in één klap in een vredesactivist heeft veranderd, maar het dwong me wel om tijd door te brengen met de afschuwelijke wreedheden van één oorlog en de implicaties voor een nieuwe te overdenken. Het zette me ertoe aan om het nieuws over de aanhoudende bezetting van Irak op de voet te blijven volgen, om politieke commentaren te schrijven voor de universiteitskrant, om een cursus te gaan volgen over de oorlog in Vietnam, om naar Vietnam af te reizen met een fenomenale professor die zelf Vietnamveteraan is, om me aan te sluiten bij anti-oorlogsbetogingen in Philadelphia en om samen met een veteraan uit de oorlog in Irak zelf een demonstratie te organiseren in mijn laatste studiejaar, vier jaar na de invasie van Falluja. 

Mijn eerste baan na mijn studie was als nationaal mediacoördinator voor Iraq Veterans Against the War (wat nu About Face: Veterans Against the War heet), een nationale non-profitorganisatie bestaande uit militairen van na 9/11 die strijden tegen het Amerikaanse militarisme. Sindsdien heb ik meer dan twaalf jaar uitsluitend gewerkt op het gebied van communicatie en gemeenschapswerk voor non-profitorganisaties en de vakbeweging, organisaties die verschil willen maken.

Toen een vriend me onlangs vertelde dat hij alleen non-fictie leest, omdat hij (net als Socrates!) liever iets leest wat ‘echt waar’ is, bedacht ik me dat hij het toch echt mis had. Fictie is niet het tegenovergestelde van de waarheid, het geeft er mede vorm aan. In haar nieuwe essaybundel Azadi: Freedom. Fascism. Fiction., begint Arundhati Roy met vertellen over een gesprek dat ze had met haar redacteur. Toen hij haar vroeg waar ze aan dacht als ze aan het woord ‘Azadi’ (‘vrijheid’ in het Urdu) dacht, zei ze. ‘[Z]onder een sprankje twijfel: “een roman”.’ 
Roy vervolgt: ‘Voor mij is een roman vrijheid met verantwoordelijkheid.’ En dat is naar mijn mening precies wat fictie tot een revolutionair hulpmiddel maakt: het geeft lezers niet alleen het vermogen zich meerdere versies van toekomsten voor te stellen, maar nog veel belangrijker, de echte mensen, van vlees en bloed, die erin leven.