Waarom zijn engelen op schilderijen nooit zwart?

‘Ik moest een verhaal vinden in de taal die mijn familie had verloren’, zegt Jabir, de hoofdpersoon van Rashid Novaires korte verhaal. Ondanks zijn pogingen om contact te maken, heeft Jabir moeite met vrienden maken. Volgens zijn klasgenoten valt hij erbuiten omdat hij liedjes van Lady Gaga zingt. Ondertussen probeert hij ook verbinding te maken met zijn familie, die vanuit Mali als slaven naar Marokko zijn gebracht, en vraagt hij zich af waarom hij engelen op schilderijen nooit zwart zijn.

Tags

Geschiedenis Identiteit ras
Foto Sebastiano Piazzi via unsplash

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

Engelen vervoeren

‘Allemaal snel omkleden en dan even de banken bij elkaar. Ik moet iets met jullie bespreken, dan kunnen we over vijf minuten gymmen,’ zei de mentor annex gymlerares van mijn brugklas op het Schiedams Lyceum. 

Als eerste zat ik stijf rechtop klaar voor het gesprek. Twee maanden zat ik al in deze klas, maar niemand keek mij op dit ogenblik aan. Ik keek door een van de hoge ramen van het gymlokaal naar een ekster die een tak uit zijn nest wipte. Er viel weinig licht door de ramen. Net genoeg om het stof te kunnen ontwaren dat neerdwarrelde op de jongens en meisjes in fluorescerende kleren die mij beroemd hadden gemaakt op deze school. Vonden ze het nou echt zo hilarisch dat ik af en toe in de kantine ‘Just Dance’ meezong met mijn iPod? Volgens mij waren ze daarna pas die andere dingen gaan zeggen. Kijk hoe Jabir loopt. Waarover hij praat. Bij kunstgeschiedenis heeft hij gevraagd of er schilderijen bestaan met zwarte engelen. Kijk hoe stil hij er nu bij zit.

‘Nou,’ zei de mentor toen alle kinderen omgekleed waren en haar glazig aanstaarden. ‘Leg eens uit, waarom valt Jabir Leopold erbuiten in deze klas?’

Er viel een kleffe stilte. 

‘Omdat hij liedjes van Lady Gaga zingt,’ antwoordde een meisje, zo zeker dat het leek alsof ze hier thuis ook al eens over had nagedacht. 

Want voor een hele of halve homo maakt het niet meer uit waar je vandaan komt, het enige wat nog uitmaakt is hoe snel je uit de buurt kunt komen.

Ik knikte. Ze had gelijk. Eigenlijk hoefde hier niet veel aan toegevoegd te worden. Ik was dan wel klein van stuk en in de ogen van Mourad en Abdel ook een nep-Marokkaan; en mijn vader, met zijn gezicht dat wel uit ebbenhout leek te zijn gesneden, hoorde de enkele keer dat hij een moskee binnenkwam soms ‘Azzy, Azzy’. Maar dat was niet het echte probleem. Het ging om iets anders. Want voor een hele of halve homo maakt het niet meer uit waar je vandaan komt, het enige wat nog uitmaakt is hoe snel je uit de buurt kunt komen.

Daar wilde de gymjuf niet aan. ‘Het maakt toch helemaal niet uit of een jongen van Lady Gaga houdt?’

Iedereen moest lachen, gemeen en hard. Omdat dingen waar niemand in gelooft maar die toch worden gezegd óf om te lachen zijn, óf om te huilen. 

De lerares zuchtte. Dit was in feite een extra krachtsinspanning van haar. Het pestprotocol was eerder gevolgd. 

Ik keek op de klok en zag dat er al drie minuten waren verstreken. Nogmaals nam ik de omgeving in me op, ik begon het basketballen al te vrezen. De groenige vloer waarop tientallen gymschoenen zwarte strepen hadden achtergelaten. De bok waarvan ik het versleten leer zou willen strelen, maar dat niet durfde. En in de metalen kasten de volley- en basketballen die me in gedachten al in het gezicht vlogen. Ik, sportief. Ik, bereid om eeuwig te dribbelen als iemand mij die kans gaf.

Ik slikte en wilde al als eerste opstaan toen nog iemand zijn hand opstak. Het was nota bene Romeo, de stille zwarte jongen die in de pauzes omging met een neef van hem die in de derde zat. Hij had een keer bij me achterop willen springen, maar ik was gauw doorgereden want ik wist niet waarover te praten. Nu, in het kringgesprek, liet hij loom zijn hand weer zakken en leek even te aarzelen voordat hij zei: ‘En dat hij zo obsessed is door voodoo en zo.’ 

Weer viel het stil. De gymjuf straalde uit dat zij het zorgelijk vond. Zo zorgelijk dat ze weer zweeg. 

Opeens moest ik me inhouden om Romeo niet een blik toe te werpen die hem beloofde dat ik hem zou klappen. Ik had hem, op de eerste schooldag al, verteld dat mijn familie in Marokko naast het paleis van de koning woont. ‘Ze heten de Touarga’s, ze zijn geprivilegieerd, ze hebben altijd werk,’ legde ik uit terwijl we in de gangen verdwaalden. ‘Mijn tante zet de kandelaars naast het bed. Mijn oom is een koninklijke loodgieter.’ Toen hij volgens mij met lichte tegenzin met mij een klaslokaal in liep, haastte ik me toe te voegen: ‘We zijn donkerder dan andere Marokkanen. Vroeger was dat werk gedwongen, vat je die? We zijn in Marokko beland door de trans-Sahara-slavenhandel. Oók uit West-Afrika dus. Net als met Suriname, geloof ik. Misschien komen onze voorouders wel uit hetzelfde gebied, weet je. In West-Afrika heb je trouwens ook engelen, maar die worden Loa genoemd.’

Later, in schoolbuitenhuis ’t Mussennest, had hij onder druk van anderen grapjes gemaakt. Zich hardop afgevraagd wat mijn taak zou zijn geweest als ik in het paleis zou werken. ‘Jij kan de koning staand pijpen,’ zei hij bij het ontbijt.

Ik had er niet zo vroeg over moeten beginnen.

In de gymzaal wachtte ik even af wat er zou gebeuren. Toen keek ik iedereen aan. Hun blikken waren ongemakkelijk. Ze voelden dat ik wat ging doen. Ik stond op en zei: ‘Jullie willen het niet zien.’

‘Wat niet?’ vroeg de lerares geschrokken. 

De kinderen keken eerlijk gezegd best bang. Het rook naar rubber en magnesium.

‘Dat er iemand op me wacht,’ zei ik, en de gymjuf zei dat ik terug moest komen maar ik deed het niet en ze liep ook niet achter me aan. Zo, zonder te groeten, liep ik weg van deze mensen.

Het was alsof hij een verklaring aflegde namens de hele klas toen hij zei: ‘Als je zo doorgaat, zul je denk ik nooit vrienden krijgen.’

Ik dacht dat ik in mijn eentje over het stille schoolplein naar de tramhalte zou kunnen lopen, maar tot mijn verrassing had de lerares Romeo toegestaan achter mij aan te komen. Hij liep een paar tellen zwijgend naast me met gebogen hoofd en deed me toen stilstaan met zijn blik. Ik trilde. Ik had gewild dat hij iets zou zeggen over de beginnende herfst of over de lesstof, over iets waar we normaal nooit over spraken, maar ik begreep wel dat hij een ander onderwerp wilde aansnijden. 

Het was alsof hij een verklaring aflegde namens de hele klas toen hij zei: ‘Als je zo doorgaat, zul je denk ik nooit vrienden krijgen.’

Vreemd, eerst voelde ik opluchting dat hij zoiets onnozels tegen me zei. Ik, met mijn hele leven voor me. Met al mijn voorouders die over me waakten, zoals mijn vader zei. Friese, Malinese, Marokkaanse. Ik, met een horizon voor me waar ik naartoe kon dansen als ik die dag dansen wilde. Met de engelen die ik heel soms op mijn fiets vervoerde, wanneer ik gewoon zeker wist dat er een gewicht lichtjes op mijn bagagedrager drukte. Maar al snel maakte die opluchting plaats voor verdriet, omdat Romeo hiermee verklaarde dat ook hij geen vriend van me was of kon worden. Ik zou me opnieuw kunnen wegdraaien en oplossen in die mist van verdriet, rennen naar de tram die ik al om de hoek zag aankomen, maar ik hield me staande. Ik keek naar een klein gaatje in de kraag van Romeo’s jas – het leek alsof iemand er een peuk in had uitgedrukt – en zei: ‘Vrienden moeten me toch leuk vinden zoals ik ben?’

Hij knikte. Daar was niets tegen in te brengen.

Ik kon de tram nog halen.

***

In de tram keek ik naar buiten. Ik was opgelucht dat ik vandaag geen engelen hoefde te vervoeren. Buiten speelde de wereld zich af als een stomme film. Grijze flats waarin iemand af en toe een licht opstak. Ik was eraan gewend. Ik ben mijn leven gaan zien in de schakeringen van zwart, wit en grijs van die verregende plek waar ik mijn vader naar de hemel vroeg. We reden dat najaar naar Marokko. Onderweg bezochten we een kerk in een dorp, waar ik mijn spiegelbeeld bekeek in een kom wijwater. Ik keek om me heen naar de grote, volle schilderijen in hun gouden lijsten. Een naakte man en vrouw die wegvluchtten uit een schaduwrijke tuin. Ik denk dat het me toen voor het eerst opviel: de kleur van hun huid. Op school had ik geleerd dat de eerste mensen uit Afrika kwamen. Nu vielen me de gevleugelde blonde wezens op andere schilderijen op. Ik staarde ongelovig naar wat ik zag. Ik had op het pleintje van het dorp in de zon een groepje Afrikanen gezien, bij wie ik misschien wel mocht zitten. Hoe kon iedereen op de schilderijen wit zijn?

‘Waarom zien engelen er nooit uit zoals jij en ik en de kinderen van mijn klas?’

Op de hotelkamer probeerde ik de ruzie door de telefoon te laten overstemmen door de kraan te laten stromen. Mijn moeder vroeg me na afloop altijd meteen of alles wel goed was gegaan: op stap met hém. Nadat mijn vader mijn moeder had weggedrukt, vroeg ik: ‘Waarom zien engelen er nooit uit zoals jij en ik en de kinderen van mijn klas?’

Mijn vader pakte een vale kaftan uit zijn koffer en wierp die op het bed. ‘Je bent de mooiste jongen van Nederland, met je kroezige haar en je donkere huid,’ begon hij met een peinzende glimlach.

‘Dat vroeg ik niet,’ zei ik.

‘We kunnen de engelen niet zien omdat ze uit licht geschapen zijn.’

Ik plofte neer op bed. ‘Spreek je nu als moslim?’

Het viel stil. 

Ik had hem eens aangeschoten gehoord, lachend met vrienden. Hij riep dat de islam een ziekte was die uitgeroeid moest worden. 

Nu nam hij me in zijn armen. ‘Er zijn vast schilderijen met zwarte engelen,’ fluisterde hij. ‘Maar ik ken ze niet. Maar jij kunt later elke light skin of dark skin meid krijgen die je wilt.’

Ik maakte me los uit zijn omhelzing. ‘En als ik ze niet wil?’

We zaten samen op bed. 

Hij keek even heel bezwaard en peuterde met een tandenstoker een vuiltje tussen zijn tanden weg. Daarna keek hij me lang aan. ‘Daar gaan de engelen je bij helpen.’ 

***

Ik had niet weg mogen lopen uit de gymzaal, schoot het door mijn hoofd toen ik bij de eindhalte uitstapte. Ik was mijn eigen huis voorbijgereden. Ik had er genoeg van om daar boeken te lezen en te hopen dat ik bewijs zou vinden dat de voorouders van Romeo in ongeveer hetzelfde dorp hadden gewoond als die van mij. Dat kon toch? De Arabieren en de Hollanders hadden allebei in slaven uit West-Afrika gehandeld, de klootzakken. Ik denk dat ik iets persoonlijks van mijn klasgenoot wilde hebben, zijn geschiedenis tot iets van mezelf wilde maken.

Ik moest een verhaal vinden in de taal die mijn familie had verloren

Ik had zo mijn best gedaan om vragen over ons verleden te stellen aan mijn familie in Rabat. Maar ze lachten, hard en lang, net zoals de kinderen in de gymzaal. Ze zeiden dat ze niets meer wisten van die tijd. Alleen een negentigjarige man had zich tussen de ronde banken van de huiskamer opgedrukt en nog iets gesproken in een taal die hij Torogi noemde. Een mengtaal van Touaregs en talen uit Mali en Senegal. Niemand had hem verstaan. Een keer had mijn nicht de tweede vrouw van mijn oom omschreven als: ‘Veertig jaar. Dezelfde kleur als mama. Pas extraordinaire.

Ik moest een verhaal vinden in de taal die mijn familie had verloren. Just dance. Maar waarom sprak de engel die ik op mijn bagagedrager droeg dan zo zacht als die me aan een verloren taal herinnerde?

Het verhaal moest iets zijn met mensen die in netten werden gevangen. Achter een paard aan door de woestijn werden gesleept. Mensen die hun uit ebbenhout gesneden beelden van een Loa moesten verruilen voor islamitische engelen van licht. Misschien zou iemand worden gedwongen staand een meester te bevredigen. Een vrouw zou zich voor het eerst ritueel reinigen in een moskee en schrikken van haar spiegelbeeld.

Even vlamde een gloeiende haat tegen Romeo en de anderen in me op. Ik legde hun geschiedenis uit en ze bleven maar wachten tot ik weer iets deed wat me in hun ogen vernederde.

Ik liep die avond door een stille wijk. Ik stampte maar een eind weg, met woeste stappen. Vreemd genoeg was ik opgelucht dat ik nu geen protocol meer hoefde te volgen op school. Ik zou zwijgen. Al wilde ik alles toch graag aan iemand uitleggen. Dat ik nog zocht naar een kerkgebouw met het schilderij waarover mijn vader had verteld. Hoe ik keek naar het parlement op het nieuws, waarin zwarte gezichten ontbraken.

Ik moest het durven. Romeo gewoon iets vragen over de les van morgen.

Al leek die nog ver weg. Vanuit de scherpe streep waar de flats de schemerende lucht raakten vlogen slanke engelen aan hun zwarte vleugels door de lucht. Ik stak mijn arm uit, wilde dat er een zou landen op de palm van mijn hand. Een van hen speelde met haar rastavlechten en zag mijn teleurstelling dat engelen geen vervoer nodig hebben.