Sprekend wit
Ooit wekte ik de verbazing van een universitair docent door haar mede te delen dat ik haar complete proefschrift had gelezen. Het betrof Leegte, leegte die ademt van Yra van Dijk, over de functie van typografisch wit in moderne poëzie. Dat deed ik niet om een wit voetje (pun intended) te halen, maar omdat het onderwerp me oprecht fascineerde: wat kan een gebrek aan tekst ons vertellen dat een woord nooit kan?
Van Dijk legt helder uit dat dat wit tal van functies heeft: het kan sprongen in de tijd of juist oponthoud aanduiden, het kan zorgen voor een bepaald ritme of passen bij de thematiek – denk aan wit als verbeelding van licht, sneeuw, kou of ijs. Het kan staan voor een hogere macht of juist de afwezigheid daarvan, of ons zelfs iets vertellen over onze verhouding met taal, die soms ernstig tekortschiet als we proberen ons uit te drukken. Waarover we niet kunnen spreken, daarover moeten we zwijgen, lijkt dat gebrek aan tekst ons soms te willen zeggen.
Veel van deze observaties zijn net zo goed toe te passen op proza als op poëzie. Ook in romans kan het wit op de pagina bijzonder betekenisvol zijn. Als schrijven van zowel proza als poëzie heb ik me vaak afgevraagd hoe je die twee genres op de perfecte manier kunt samenbrengen, zonder te verhalende poëzie te schrijven of juist te zweverig proza. Steeds vaker denk ik dat het antwoord ligt in dat wit: niet alleen is het voor de lezer misschien wel de belangrijkste indicator van het genre dat voor diens neus ligt, ook verenigt het de prozazoektocht naar een sluitende betekenis met de betekenisvrijheid van poëzie.
De afgelopen jaren las ik meerdere boeken die dit optimum zochten en vonden. Voor wie graag kennismaakt met deze vorm, hierbij een vijftal tips.