Sprekend wit: 5 essentiële fragmentarische romans

Na de publicatie van twee romans en twee dichtbundels zoekt Anne Louïse van den Dool in haar huidige schrijfproject naar het perfecte midden tussen proza en poëzie. Het meest vindt ze dat in fragmentarische romans, waarin het wit vaak net zo veelzeggend is als de woorden. Voor ILFU tipt ze de boeken die haar in die zoektocht het meest inspireren.

Thema

Verplichte Kost

Tags

Leestips

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Sprekend wit

Ooit wekte ik de verbazing van een universitair docent door haar mede te delen dat ik haar complete proefschrift had gelezen. Het betrof Leegte, leegte die ademt van Yra van Dijk, over de functie van typografisch wit in moderne poëzie. Dat deed ik niet om een wit voetje (pun intended) te halen, maar omdat het onderwerp me oprecht fascineerde: wat kan een gebrek aan tekst ons vertellen dat een woord nooit kan?

Van Dijk legt helder uit dat dat wit tal van functies heeft: het kan sprongen in de tijd of juist oponthoud aanduiden, het kan zorgen voor een bepaald ritme of passen bij de thematiek – denk aan wit als verbeelding van licht, sneeuw, kou of ijs. Het kan staan voor een hogere macht of juist de afwezigheid daarvan, of ons zelfs iets vertellen over onze verhouding met taal, die soms ernstig tekortschiet als we proberen ons uit te drukken. Waarover we niet kunnen spreken, daarover moeten we zwijgen, lijkt dat gebrek aan tekst ons soms te willen zeggen.

Veel van deze observaties zijn net zo goed toe te passen op proza als op poëzie. Ook in romans kan het wit op de pagina bijzonder betekenisvol zijn. Als schrijven van zowel proza als poëzie heb ik me vaak afgevraagd hoe je die twee genres op de perfecte manier kunt samenbrengen, zonder te verhalende poëzie te schrijven of juist te zweverig proza. Steeds vaker denk ik dat het antwoord ligt in dat wit: niet alleen is het voor de lezer misschien wel de belangrijkste indicator van het genre dat voor diens neus ligt, ook verenigt het de prozazoektocht naar een sluitende betekenis met de betekenisvrijheid van poëzie.

De afgelopen jaren las ik meerdere boeken die dit optimum zochten en vonden. Voor wie graag kennismaakt met deze vorm, hierbij een vijftal tips.

1. Max Porter – Verdriet is het ding met veren (2015)

Misschien wel het eerste boek dat ik in deze categorie las, en dat me meteen greep. Poëtische roman over een vader en zijn twee zoontjes die rouwen om de dood van hun echtgenote en moeder. Daarbij krijgen ze bezoek van een kraai, die ze door de grillen van dit proces loodst. Porter laat prachtig zien wat wit kan doen: het geeft ruimte aan het verdriet om een verdwenen dierbare en toont hoe ongrijpbaar alle gevoelens tijdens zo’n proces soms zijn. Een paar jaar geleden op de toneelplanken gebracht door Theater Rotterdam en regisseur Erik Whien, met Jacob Derwig als wanhopige vader. Werd vorig jaar ook eindelijk verfilmd, met Benedict Cumberbatch in de hoofdrol.

2. Jenny Offill – Weersverwachting (2020)

Jenny Offill vond haar vorm met Dept. of Speculation, vertaald als Verbroken beloftes (2014), haar doorbraak richting het grote publiek: bondige alinea’s met veel witregels. Ook in Weather, in het Nederlands verschenen als Weersverwachting, houdt ze die vorm aan – deze keer om het verhaal te vertellen van een bibliothecaresse die betrokken raakt bij de podcast van een klimaatwetenschapper, en zo wordt meegesleurd in diens apocalyptische ideeën. Bij auteurs die de fragmentarische vorm zo consistent gebruiken, rijst onder critici regelmatig de vraag of het geen trucje wordt. Een bijzondere vraag, vind ik: die stel je bij een meer reguliere vertelvorm toch ook niet? Van mij mag Offill voor altijd zo blijven schrijven: in haar werk blijft er altijd iets om naar te raden.

3. Femke Brockhus – Kleine haperende vluchten (2022)

Weinig Nederlandse schrijvers durven zoveel weg te laten als Femke Brockhus. Ze debuteerde met het fascinerende Laat het stil zijn (2017) en vond haar weg naar het grote publiek met Kleine haperende vluchten (2022). In die compacte roman verdwijnt een moeder twee weken na de geboorte van haar eerste kind spoorloos, haar gezin achterlatend. Wat volgt, is een zoekend graven van de vader in herinneringen die haar vertrek aankondigden, en die iets kunnen vertellen over wat er met haar is gebeurd. De fragmentarische vorm is ook hier meer dan passend: als uiting van verlies, maar net zo goed als een onheilspellend gebrek aan informatie.

4. Lieselot Mariën – Als de dieren (2025)

Voor velen het favoriete debuut van afgelopen jaar, en dat is zeer terecht: op een hoogst originele manier maakt Mariën de lezer deelgenoot van de postpartumdepressie van haar hoofdpersoon – een nog zelden door de literatuur aangeraakt onderwerp, dat die aandacht wel degelijk verdient. De tekst schiet van links naar rechts over de pagina, opgebroken in korte stukken die verwijzen naar eeuwenoude mythen, natuurkundige fenomenen en persoonlijke beslommeringen. Zo gebroken als de dagen en nachten van een kersverse ouder zijn, zo fragmentarisch is deze roman – en dat maakt deze vorm meer dan passend.

5. Dorien Dijkhuis – Dezelfde maan (2024)

In deze roman komen twee van mijn liefdes samen: het fragmentarische en het feitelijke. Dijkhuis strooit allerlei wetenswaardigheden over ons uit terwijl ze ons deelgenoot maakt van de twijfels van een jonge vrouw die naar een eiland is vertrokken om haar gedachten over het ouderschap op een rijtje te zetten. Tussen de regels door lezen we zo over eenzaamheid, verwarring en rouw waaraan ze zelf nog nauwelijks woorden kan geven.