4 (of 11) boeken met sport in de hoofd- of bijrol

Frank Heinen schreef al twee boeken en talloze columns over sport. Een wereld die voor hem en veel anderen bij de dagelijkse werkelijkheid hoort, maar verassend weinig de hoofdrol speelt in fictie. Hij tipt vier boeken die laten zien dat literatuur en sport wel degelijk samen gaan, elf als je de bijrollen meetelt.

Thema

Verplichte Kost

Tags

Boektips Sport

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Ik houd van romans. En ik houd van sport. En zelden the twain meet. Miljoenen mensen sporten elke dag, een veelvoud van hen kijkt naar sport, leeft ervoor, gaat erin op, geniet ervan, maar uitzonderlijke romans waarin sport méér is dan een vage vlek in de achtergrond worden zelden geschreven. Eindeloos veel non-fictie, talloze kinderboeken, maar nooit fictie. Toch? Eens in de zoveel tijd krijg ik de vraag, of zelfs het verzoek, het zelf dan maar te doen. Ach, zet jij het vuilnis even buiten, ruim jij de vaatwasser even uit, schrijf jij even een grote sportroman. In werkelijkheid wordt er vaker en beter over sport geschreven dan je denkt.

Chad Harbach - The Art of Fielding

Altijd als het woord ‘sportroman’ (een woord van niks trouwens, maar ja) in me opwelt, is het eerste wat ik voor me zie: de omslag van The Art of Fielding, het debuut van het enorme talent Chad Harbach uit 2011. Het boek is hét bewijs dat je niet van sport hoeft te houden om te genieten van sportromans, want de allure van honkbal heb ik nooit begrepen, maar tijdens het lezen ging ik volledig op in het spel, in de teamgeest, in vergeefs streven en in wat ik nog altijd een van de beste studies naar ‘talent’ vind die ik ken. Sindsdien is er van het enorme talent Chad Harbach overigens weinig meer vernomen. Ook dat komt soms voor, in de sport.

Alan Sillitoe - De eenzaamheid van de langeafstandsloper (vertaald door Inge Pieters)

In de korte tijd dat ik verslingerd was aan hardlopen (en het zo vaak deed dat ik er een hardnekkige knieblessure van kreeg die tegenwoordig alleen nog opspeelt als ik aan hardlopen denk), heb ik meermaals kortstondig de rush van de loper ondergaan, de ‘runners high’.  Benali schreef over zijn marathon, Murakami beschreef secuur wat het lopen voor zijn leven en werk had betekend, maar niemand heeft die endorfinekick van de loper volgens mij beter beschreven dan Alan Sillitoe, in zijn schitterend-sombere De eenzaamheid van de langeafstandsloper: ‘Dit is de allermooiste minuut, want als ik zo naar beneden suis zit er geen enkele gedachte, geen enkel woord, geen beeld, niets meer in mijn hoofd. Ik ben helemaal leeg, zo leeg als ik was voor mijn geboorte, en ik laat mezelf denk ik niet vallen omdat er in het diepste putje van mijn binnenste iets zit dat niet wil dat ik doodga of mijn benen breek.’

Raymond Cuijpers – Kunstenaar op kaalheide

De meeste sporters vergeten dat ze personages zijn in een verhaal dat door anderen gelezen wordt. David Foster Wallace schreef ooit over de adembenemend saaie biografie van de door hem bewonderde tennisster Tracy Austin, een boek waarvan hij vurig hoopte dat het Austins geheim zou ontsluiten, maar dat niet meer bleek te zijn dan een stomvervelende opeenvolging van wedstrijden, games en rally’s. Wie van topsport houdt, denkt een verhaal te zien. Wie topsport bedrijft, ziet slechts een oeverloze herhaling van zetten. Daarom is goede fictie van topsporters zeldzaam. Uitzondering op die regel vormt Raymond Cuijpers, die vele jaren geleden een uitstekende roman schreef over zijn tijd in de jeugd bij Roda JC, Kunstenaar op Kaalheide. Voor iedereen die wil weten wat er nodig is om het net niet te redden in de top.

Peter Winnen – Van Santander naar Santander

Vragen naar de beste Nederlandse sportroman is vragen naar de bekende weg. Iederéén zegt De renner van Tim Krabbé, het is geen kwestie van smaak, maar het enige correcte antwoord. Toch is de beste Nederlandse topsportroman Van Santander naar Santander. 
Wielrennen wordt bij voorkeur beschreven in een van vettige clichés korstig geworden jargon. Oud-Tourheld Peter Winnen creëert in deze brievenroman een nieuw jargon, een taal waarin hij personage en verteller tegelijk kan zijn, waarin de elementaire platheid van sport samenvloeit met de diepte die sportliefhebbers erin vermoeden. Wanneer Winnen een foto van zichzelf bekijkt, genomen kort na weer een loodzware rit, ziet hij ‘een wassen beeld dat het net niet heeft.’ Het is iemand die heel in de verte iets met hem te maken heeft.
Het is de renner Winnen.

Sport op de achtergrond

Zoals sport in het echt vaak een decor is voor verhalen die weinig met sport te maken hebben, zo is sport in romans geregeld een achtergrond waartegen de gebeurtenissen zich voltrekken, in ‘een zandkorrelige veelheid van dingen die niet geteld kunnen worden’, zoals Don DeLillo schrijft in Underworld. De familiebeslommeringen in A.H.J. Dautzenbergs Extra tijd, het verraderlijk idyllische tennisbalgeplok in Bassani’s De tuin van de Finzi-Contini’s, het geschuif met de stukken in Zweigs Schaaknovelle, de houdgrepen in Buwalda’s Bonita Avenue, de traumaverwerking in Anke de Vries’ Kinderboekenweekgeschenk Fausto Koppie, de volwassenwording in Hornby’s Fever Pitch – het gaat over sport, maar het gaat nooit werkelijk over sport.