De volgende ochtend stond Fabian al vroeg naast hun bed.
‘Ik ga naar de hut,’ zei hij.
‘Wat, nu al? Moet je niet eerst eten?’
Weg was hij.
Met een kop koffie ging Doke in haar winterjas voor het huisje zitten.
Hannelore hing de was op aan een droogmolen. ‘Er gaat niets boven aan de lucht gedroogde lakens.’ Ze trok een hagelwit laken strak en klemde het met houten wasknijpers vast.
‘Wij hebben gisteravond een tank gezien,’ zei Doke.
‘Een tank?’ vroeg Hannelore achterdochtig.
‘Op het oefenterrein hierachter.’
‘Dat wordt al jaren niet gebruikt.’
‘Het huisje trilde helemaal.’
‘Ach, de trillingen, die zijn hier zeer sterk,’ streng keek Hannelore over de glazen van haar leesbril. ‘We hebben hier een uitzonderlijke Boviswaarde.’
‘Mijn zoon zag een tank.’
‘Kleine jongens hebben veel fantasie.’ Hannelore tilde de rieten wasmand van het gras. ‘Grote ook, trouwens.’
Laat maar. Doke draaide haar gezicht naar de zon. Er waren veel van die jagershutten hier. Ze zagen eruit als knusse tiny houses op palen, maar het waren gewoon plekken om vanuit te doden. Wat als die hut een rotte bouwval was, of als er al een jager in zat? Sowieso: wat als er op dit moment werd gejaagd?
Een auto bromde achter het huis, een blauw autodak gleed langs de heg. Ze stond op, het was de Toyota. Had de bestuurder nou een legeruniform aan? En die twee achterin?
Doke liep naar de weg. De Toyota was in de berm geparkeerd en de mannen waren op weg naar het paadje, met een geweer op hun buik. Zonder contact te maken keken ze haar aan. Ze had vriendelijk willen groeten, maar dat werkte niet bij dit soort mannen. Zeker niet als je boven de vijfenveertig was, dan was je lucht.
Daar gingen ze, het bos in. Ze moest haar zoon uit die hut halen. Hij was vast van de jachtvereniging, of van het leger. Van dronken mannen met geweren. Waar stond dat ding? Ze sloop achter het drietal aan. Misschien was Fabian de betonnen weg overgestoken. Wat als ze daar schietoefeningen gingen doen? Ze dook het bosje in. Takken kraakten. Ze schrok en wachtte tot de mannen haar niet meer konden zien.
Na kort overleg gingen ze alle drie een andere kant op. Een haalde zijn geweer van zijn nek en deed iets, checkte hij zijn munitie?
Ze slikte. Haar kind was hier ergens. Ze had overzicht nodig. Door het kreupelhout struikelde ze de heuvel op. Haar joggingpak was grijs, een schutkleur, goddank.
Bovenaan de heuvel stond een houten constructie, op de grens van het bos en de akker. ‘Fabian,’ fluisterde ze. In de verte klonken schoten. ‘Fabian.’
‘Kom ook!’ zei hij enthousiast.
‘Ssssst,’ zei ze.
‘Kom, mama!’ Ze hees zichzelf een ladder op waarvan sporten ontbraken. Het hout kraakte. Er klonk weer een schot, dichterbij, of niet?
Fabian stak zijn hoofd door de deuropening. ‘Moet je kijken!
‘Ze schieten,’ zei ze hijgend.
‘Kijk dan.’ Hij wees met zijn vinger naar de vloer van de hut.
Tussen muurtjes van takjes scharrelde een knalgroene kever. De vleugels leken blaadjes.
‘Ik wil hem mee naar huis nemen.’ Fabian tilde de kever voorzichtig op. Het beest kroop over zijn arm, langs de kleine haartjes. Ze moest doen alsof ze de knallen niet hoorde, maar die werden luider. Iemand schreeuwde iets wat klonk als een bevel.
‘Cool’ zei Fabian. ‘Ze gaan weer oefenen.’ Er lagen scherven bij zijn voeten, van een gebroken bierfles.
‘Pas op,’ zei ze.
Fabian zette de kever weer achter de omheining. ‘Mag ik je telefoon?’
Haar hart bonkte. Ze hoopte dat Elif hen niet zou komen zoeken. Zou ze door het kijkgat naar buiten kijken? Straks kwamen er tanks over de heuvel. Hannelore met een wapperend laken er bovenop, de vlechten los. Ze moest Elif een berichtje sturen. Het was hier verboden gebied.
‘Het komt goed,’ zei ze. ‘We moeten gewoon even wachten.’
Met haar telefoon maakte Fabian foto’s van de kever. Ze leunde tegen de houten wand en sloot haar ogen. Op de heuvel woonde een imker. Gisteravond had ze gezien hoe hij zittend aan tafel honing in glazen potten deed. Terwijl Elif en Fabian kluiten aarde naar elkaar gooiden.
De schoten waren nu vlakbij.
Achter het raam druppelde een hele oude man traag honing door een trechter.
Ze moesten wachten tot het voorbij was.