Relicten – een verhaal van Mariken Heitman over een tuinfeest in de vinex

Mariken Heitman

23-06-23

14 min

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

Het zijn de bomen die het weggeven, denkt Bram. Mager als opgeschoten tieners. Ze groeien minder hard dan hun wilde soortgenoten en laten, wel zo handig, weinig blad vallen. De kruinen zijn te miezerig voor vogelnesten of klimpartijen, bedoeld als decor. Hij wandelt een straat in met exact dezelfde bomen en bebouwing. De huizen moeten lijken op jarendertigwoningen en dat is dus precies wat die bomen verpesten: ze verklappen de echte leeftijd. Bram wordt niet graag voor de gek gehouden.

Bij het openen van de zware tuinpoort ziet hij een stuk of twintig mensen, verdeeld over de kleine tuin. Alleen Esther kijkt op. Achter haar de viburnum die nodig water moet krijgen, ze hebben het gras toch al gemaaid. Over een maand pas, had hij gezegd, hij wedt dat hij de mat zo weer kan oprollen. Er staan drie vrouwen op die er met hun hakken doorheen prikken.


‘Ik dacht, ik kom achterom.’ Pas nu twijfelt hij. Wekenlang deed hij het zo, was deze ommuurde rechthoek zijn stukje land, zoals hij ook weet hoe hun ingebouwde espressomachine werkt en hij de kiekjes op het toilet kent.

‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Esther komt zijn kant op, wuift iets weg. Bram was vergeten hoe klein ze is, herinnert zich ineens weer hoe hij steeds hoopte dat ze ergens niet bij kon.


‘Wat geweldig dat je er bént. Om je werk te bewonderen zeker? Jongens,’ en ze draait zich om, ‘dit is onze tuinman!’ Haar man Erik steekt een vinger op. Esther kijkt enkele seconden naar de in cellofaan verpakte plant in Brams handen, dan omhoog naar zijn gezicht. Ze kijkt al haar hele leven omhoog en om dezelfde reden houdt ze haar bovenste keukenkastjes leeg. Ze gaat een biertje voor hem halen, zegt ze. In het voorbijgaan fluistert ze Erik toe dat hij met de tuinman moet praten.

Esther stapt de drempelloze schuifpui over en denkt zoals altijd aan de verkooptekst die het ding aanprees als sleutel tot een verlenging van het woongenot. Dat tuin en woonkamer zo een vloeiend geheel werden, de exacte bewoording is ze vergeten. Ze opent de koelkast en kijkt naar de ordelijke inhoud. Een oase, ze zou er wel in willen kruipen. Uit de tuin klinkt geroezemoes. Geen muziek, hadden ze afgesproken. Ze leunt nog iets verder naar voren en twijfelt of het al zin heeft om de tuinverlichting aan te doen. De koelte slaat tegen haar gezicht. Ze schrikt op van de deurbel en pakt in een reflex het bovenste flesje bier van de piramide. Erik loopt achter haar langs naar de voordeur. Ze moeten nou niet van twee kanten tegelijk komen, denkt ze en rommelt op het aanrecht tussen de bakjes olijven en hummus, een plank met brood, een fles wijn in cadeauverpakking en de plakkerige colaglazen van de kinderen. Nergens een opener. In gedachten gaat ze na welke gasten ontbreken. Babs natuurlijk. Ze spitst haar oren, maar hoort haar stem niet. Ze waren hier vijf jaar geleden komen wonen omdat ze een tuin wilden en Esther herinnert zich hoe ze Babs de kale vlakte toonde toen het huis net was opgeleverd. In het midden stond de haastig aangeschafte picknicktafel, Mischa speelde met een schepje in het zand.

‘Ik snap niet hoe je het kan,’ zei Babs, zelf kinderloos en woonachtig in het centrum van Utrecht. Esther luisterde welwillend naar de verbazing van haar vriendin, verbazing die haar woonsituatie vanaf dat moment steevast zou oproepen. De mensen keken verlekkerd neer op het nieuwe, het uniforme. Tegelijkertijd klonk hun eenstemmige afkeer nogal afgezaagd. ‘Ik fietste hierheen en ineens stopte het fietspad! Bij een zandvlakte!’ Babs lachte gespeeld verontwaardigd, ironiseerde dat het een weiland was dat zijn best deed op een wijk te lijken.

Alsof ze tot een nieuw ras behoorde. Toch grijnsde Esther, natuurlijk. Dit was haar ook vaak genoeg overkomen, de wind die je tussen twee huizenblokken in aanbouw ineens te grazen nam, de stoplichten die, wachtend op verkeer dat maar niet kwam, stil van kleur verschoten, een huid van bloeiend koolzaad over een bult vergeten bouwzand. Zelf vond ze Leidsche Rijn een kleurplaat. Je hoefde alleen maar tussen de lijntjes te blijven. Natuurlijk woonde ze liever in een tekening. Maar ze was ook gaan houden van het Teletubbie-gras, dat kalmeerde. Geen last van woonschaamte bovendien. Je hoefde er nooit achter te komen dat je in die charmante binnenstad een huis bewoonde dat ooit werd betaald met winstgevende trans-Atlantische slavenhandel en grondstoffenroof, of een huis dat nog maar twee generaties geleden toebehoorde aan een joodse familie, daarna van staatswege ontvreemd was door, noem eens wat, een foute wethouder of een burgemeester die een oogje toekneep. De geschiedenis van deze wijk is korter dan haar persoonlijke, maar schoner.

Leidsche Rijn is alles behalve een krimpgebied, maar een gemeenschap ontstaat niet door zomaar duizenden mensen bij elkaar te zetten.

Haar handen rusten op het stenen aanrechtblad. Ze heeft geen idee of de mensen het naar hun zin hebben. Het was Erik die een feest wilde. Ze hadden de viering van haar vijfenveertigste verjaardag tijdens de pandemie moeten uitstellen, hij was iemand die vond dat je de dingen wel moest vieren. Ze kon de man die zijn beide ouders als zevenjarige verloor wat dat betreft niets weigeren. Zelf had ze liever een blauwe regen voor het huis en een surfworkshop in Portugal, maar het één sloot het ander niet uit, vond Erik.

Iedereen praat met iemand, behalve de tuinman. Die staat met zijn handen in de zak naar de kleine appelboom te turen, de enige die met zekerheid niets terugzegt. Ze is zijn naam vergeten, iets met een a, Lars? Tegeltuinen deed hij niet, zei hij bij hun eerste afspraak. Daarna was hij steeds op het onderdanige af inschikkelijk geweest en dat werkte haar, meer dan ze wilde toegeven, bijzonder op de zenuwen. Ze gelooft in sociale cohesie. Ooit als cultureel antropoloog afgestudeerd op het verval van kleine gemeenschappen in krimpgebieden, vond ze het haar plicht hem uit te nodigen. Leidsche Rijn is alles behalve een krimpgebied, maar een gemeenschap ontstaat niet door zomaar duizenden mensen bij elkaar te zetten.

Stemmen in de gang, waarom komen ze niet binnen? Ze schuift de broodzak aan de kant. Daar is de opener.

‘We hebben gewacht tot de tuin af was.’ Erik zwaait de gangdeur open. Ze opent het flesje bier en draait zich om. Daar staat Babs, met naast haar iemand die ze niet had verwacht, iemand wiens laatste email ze nooit beantwoordde. Een koude stroom bier gulpt over haar hand en plenst op de vloer. De schok is zo diep dat haar hele lijf prikt. Ze herinnert zich flarden van die email, ‘onbetrouwbaar’ schiet haar te binnen. Erik grist het flesje uit haar handen. ‘Niets aan de hand, het is een gietvloer,’ roept hij naar niemand in het bijzonder.

Bram heeft de frambozenstruik, zijn cadeau, naast zich neergezet en zijn aandacht naar de lucht verlegd. Hij kent ze niet, de mensen om hem heen, maar herkent ze wel. Ze bevolken het winkelcentrum, de fietspaden op hun e-bikes, het zijn potentiële klanten. Zó moet hij denken. De twee mannen in bermuda’s naast hem spreken Engels. Expats, mensen die zich vanzelfsprekend op hun gemak voelen omdat ze de regels maken. Boven hem wiekt een blauwe reiger over met minimale vlieginspanning. Hij kijkt om zich heen of iemand het ziet. De vogel verdwijnt achter het dak van de buren en hij stelt zich het uitzicht voor, de min of meer identieke tuinen, sommige betegeld, andere met moestuinbakken of vijvers, pergola’s. Uitgebouwde keukens, overdekte veranda’s, tuinverlichting. De reiger is daar vast helemaal niet in geïnteresseerd, die kijkt waarschijnlijk gewoon recht vooruit, zoals iedereen. Brams blik blijft hangen bij de jongste dochter die uit het dakraam hangt. Hij knikt naar het meisje. Het kind dook in de voorbije weken steeds op vanuit zijn dode hoek, geconcentreerd kijkend naar zijn gezicht als hij suikerklontjes in zijn zelf gezette espresso mikte. Of hij al Romeinse munten had gevonden, vroeg ze toen hij een gat voor de appelboom groef. ‘Alleen bagger, meisje.’ Dat weerhield haar er niet van iedere schep aarde minutieus in de gaten te houden. Als onder schot loopt hij naar binnen om dat biertje dan maar zelf te halen.

Mischa heeft de reiger ook gezien, heel even bevond hij zich op ooghoogte. Hij vliegt weg over al die huizen die zij vanbinnen kent, er wonen bijna altijd kinderen van haar leeftijd. Nu richt ze haar aandacht op de moeder van Linde van hiernaast. Zij staat met haar vader te praten. De moeder van Linde vindt het niet fijn als Mischa steeds vragen stelt. ‘Zoek maar op,’ en dan schuift ze de tablet in hun richting. Mischa maakt een koker van haar hand, tuurt erdoorheen, richt en blaast dan een denkbeeldige gifpijl in haar nek. Raak. ‘Mijn moeder is gewoon moe van alles,’ zei Linde laatst, dat kwam volgens haar door de ongelijke verdeling van de zorgtaken. Mischa vroeg zich af of dat ook voor de meester gold. Ze waren vorige week met de klas naar dat Romeinse schip geweest en toen vertelde hij dat het goederen over de Vikingrijn vervoerde. Of iemand wist welke goederen? Ze had haar hand opgestoken want de Vikingen, die kwamen pas veel later, de Romeinen waren toen al lang weg, dat had hij net zelf verteld toch, dus hoe kon die rivier dan zo heten? ‘Jij hebt goed opgelet,’ zei de meester maar hij kneep op die bepaalde manier met zijn ogen en gaf de beurt aan Vlinder. Ze haat Vlinder. Ze wil zijn als Vlinder. Nu kijkt Mischa elke dag YouTube-filmpjes over hoe je een schip bouwt. Dat kan van allerlei materialen, steigerhout, plastic flessen, wilgentenen, als je er maar veel van hebt. Met de klimaatverandering moet je voorbereid zijn. Vandaag nog vroeg de meester wat je zelf kon doen. Mischa hield haar mond terwijl haar klasgenoten het hadden over korter douchen, zonnepanelen en veganisme. Die zogenaamde Vikingrijn, ze zag hem al stijgen, dat slome stroompje, stijgen en groeien, ze hoorde het water al klotsen tegen haar boot. De sloot voor hun huis zou niet meer zomaar ergens eindigen (niemand die haar kon uitleggen waar dat water vandaan kwam of waar het heen ging), nee, die sloot zou samenkomen met de Vikingrijn en vanuit haar plasticflessenschip zou ze de wolven zien, die waren terug. De wolven zouden het schip met rust laten natuurlijk, maar iedereen die haar niet geloofde - en ze kan haar gedachtegang niet afmaken want daar stapt haar moeder naar buiten, gevolgd door een vrouw in een soort sjieke onesie. Ze lopen langs haar vader en de moeder van Linde, langs de andere gasten die druk met elkaar in gesprek zijn, haar moeder opent de tuinpoort voor de onesie en samen verdwijnen ze naar het paadje achter hun huis. Mischa maakt een koker van haar hand en tuurt. Er zit niets anders op, ze moet supersnel naar beneden, de verrekijker van haar broer pakken.

(Verhaal gaat verder onder de aanbieding.)

Even tussendoor... onze bundel met 10 schrijvers over 1 stad

Relicten staat met 9 andere verhalen in WOORD900, een bundel van ILFU en Mooie Woorden. Vorig jaar kregen tien schrijvers een plek in een van tien Utrechtse wijken en schreven daar een tekst. Dit boek is daarvan het eindresultaat, je kunt hem vanaf nu tegen €5 verzendkosten bij ons bestellen.

Koop de bundel voor €5
Even tussendoor... onze bundel met 10 schrijvers over 1 stad

Esther heeft niet bedacht wat ze zal zeggen tegen deze onverwachte gast die haar volgt, de nieuwe collega van Babs kennelijk. Ze is hier net komen wonen, kennelijk en het leek Babs wel leuk als ze wat mensen uit de wijk leerde kennen, kennelijk. Esther denkt maar steeds hoe schokkend het is dat iemand die jaren geleden, waar je alles van dacht te weten, zomaar van rol kan veranderen. Ze werd nota bene net aan haar voorgesteld, speelde woordeloos het spel mee en precies in dat korte moment was de heimelijkheid, die altijd al hun contact had getypeerd, terug van weggeweest. Vanzelfsprekend als een ademhaling en nee, ze weet dus niet wat ze tegen Juul moet zeggen. Er zullen uiteindelijk wel woorden worden gewisseld maar daar zal ze zich later niets van herinneren want ze ruikt nog precies hetzelfde. Focus. Op dit moment denkt ze alles tegelijk, ze weet dat Erik, goeie Erik, haar, zijn vrouw - zo zal hij het zeggen, mijn vrouw - straks zal bewieroken in zijn toespraakje, hij zal benoemen hoe fijn het is, weer allemaal samen, instemmende geluiden zullen klinken, de sprookjesachtige snoerverlichting die ze al zo lang wilde zal branden en hij zal haar geven wat ze wenst, die surfworkshop in Portugal, dat weet ze omdat ze geen geheimen voor elkaar hebben. Hij hoopte dat ze het niet erg vond dat ze het nu al wist – dat had hij een paar weken geleden gevraagd, je moest de dingen tegenwoordig zo lang van tevoren boeken en zelf hield hij niet van verrassingen - natuurlijk, had Esther geglimlacht en wat een heerlijk cadeau, wat heerlijk om je zo begrepen te voelen en Erik zou glimmen straks, dat gunde ze hem, omdat hij het juiste zei en het juiste gaf en dat ten overstaan van al hun vrienden, buren, familie. Ze herkent zichzelf niet, zo tot in haar haarvaten ontvankelijk, dat ligt vér achter haar, daar zou ze een uur geleden nog gif op ingenomen hebben. Ze snapt niet hoe je dat ten diepste kunt weten en tegelijkertijd, ze denkt het allemaal en met dat sluwe lijf van haar onder hoogspanning, in het paadje achter hun eengezinswoning, pakt ze Juuls polsen, de vrouw die zo lang geleden, zo veelvuldig en eigenlijk nog steeds, voor het slapen gaan in gedachten, want wie houdt ze hier nou eigenlijk voor de gek, die vrouw uit dat andere, getekende leven kijkt ze aan en gaat dan op haar tenen staan.

Bram loopt naar huis, door dezelfde straten als eerder vanavond, met hun oud-jonge huizen voorzien van zwart glimmende zonnepanelen op de daken, warmtepompen, HR++ glas. Klimaatbestendig, dat had Erik hem verteld, die nieuw was in het makelaarsvak en naar eigen zeggen iedere week hetzelfde huis verkocht.

Twee keer zoveel geparkeerde auto’s als eerder op de avond, iedereen is thuis. Hij passeert een ander ommuurd tuinfeestje, gedempt geklets, muziek. Verder niemand op straat, geen hondenpoep of peuken. Hier is alles goed. Het beeld van Erik, glimlachend in zijn zachtgele polo, verschijnt. Een vleermuis fladdert voor hem uit. Op een kruispunt gaat hij door zijn knieën, pakt de grote schroevendraaier uit zijn broekzak en begint tussen twee strak in verband liggende klinkers te wrikken. Waar hij eigenlijk woonde, had Erik hem gevraagd en Bram vertelde over de Groenedijk, een van de weinige oorspronkelijke straten, de lintbebouwing, knotwilgen, dat hij er was geboren, weilanden aan alle kanten toen nog, wulpen, grutto’s. Hij en zijn buren waren in korte tijd, ja hoe zou je het noemen, omsingeld, de vogels waren toen al lang vertrokken. ‘Of nou ja, omsingeld,’ zei hij toen de deurbel ging, zo bedoelde hij het natuurlijk niet, maar Erik was al weg. We zijn een relictpopulatie, denkt Bram, die tijdens zijn omscholing van kraanmachinist tot hovenier ook een vak ecologie volgde.

Eindelijk zit er beweging in, hij kan de schroevendraaier er als een breekijzer onder steken en de steen omhoog wippen. Met de klinker in zijn hand staat hij op. Een perfect rechthoekig gat blijft achter, ideaal voor straatgras, paardenbloem of akkerkool en later bramen of brandnetels. Hoe meer klinkers hij in de loop van de tijd zal weghalen, hoe makkelijker er in die rechthoeken uiteindelijk boompjes zullen ontkiemen. Tijd is onbelangrijk. Andy Dufresne, de held uit zijn lievelingsfilm The Shawshank Redemption deed ook twintig jaar over zijn ontsnappingspoging. Voor de zekerheid heeft hij afgelopen najaar in het Máximapark zijn zakken volgestopt met essensleutels en elzenproppen.

In zijn achtertuin legt hij de steen op het solide halfhoge bouwwerk in de hoek, naast zijn zorgvuldig opgekweekte zaailingen. Een hekel aan mensen heeft hij niet, hoogstens helpt hij het natuurlijke proces van successie een handje. De verschillende gloednieuwe bakstenen en klinkers vormen een soort Jenga-burcht. Ze stapelen goed omdat ze een standaardmaat hebben. De egel is voorlopig de enige burchtbewoner. Bram hurkt bij zijn zaailingen, trekt wat onkruid weg. Dit najaar zal hij wilgentenen stekken, die schieten wortel terwijl je erbij staat. Een broekbos, dat lijkt hem het juiste eindstadium hier en daarom zint hij nog op een manier om de vele sloten te verstoppen zodat het land weer nat wordt. Met een beetje geluk haalt de tijd hem in, want vroeg of laat zál het water komen. Als het gaat over wie er de langste adem heeft, de Leidsche Rijners of de natuur, dan weet hij het wel.