‘Ik ben vierentwintig als ik hier beland, in deze kamer, waar mijn grote uitbundigheid, mijn ontvankelijkheid, de ongeremde vrijheid van mijn gedachten, mijn onbevreesdheid me vijf jaar lang ontnomen zullen worden.’ In De kille nachten van de jeugd staat het verblijf van de hoofdpersoon in psychiatrische klinieken centraal, maar het is zoveel meer dan een verslag van mentale pijn. Dit boek lezen staat gelijk aan het tuimelen door een gat in de tijd. We lezen over een jeugd op het Turkse platteland, over een zelfmoordpoging, mannen, artsen en elektroshocks. Heden en verleden lopen door elkaar heen én, opmerkelijk, ze spelen zich beide af in het nu, zoals dat gaat met het herbeleven van een trauma. De taal van Özlü is zintuiglijk, poëtisch, ja, in de beste passages stromen de woorden als elektriciteitstootjes over de pagina. En van die passages zijn er goddank vele. Een klein meesterwerk!