Brief aan de minister: Christine Otten heeft een tip voor Carola Schouten, minister van Armoedebestrijding

Twintig schrijvers vormen een 'literair schaduwkabinet'. Ze schrijven elk een brief aan een minister uit het kabinet-Rutte IV, met daarin een leesadvies. Geen non-fictie, geen zelfhulpboeken of op feiten gestoelde analyses van maatschappelijke onderwerpen, maar fictie, romans, gedichten en verhalen die je in het hoofd van iemand anders verplaatsen. En dat is essentieel voor bewindslieden die aan het hoofd staan van een democratie. Vandaag aflevering 5: schrijver en theatermaker Christine Otten heeft een leestip voor Carola Schouten, minister van Armoedebestrijding. Heb je zelf ook een goede romantip voor Schouten, laat die dan hieronder achter in de comments.

Tags

Politiek Apartheid Racisme

Al meer dan 1000 ILFU leden steunen de fictie. Jij ook?

Vertel me meer

Amsterdam, juni 2022

 

Geachte Minister, Beste Carola Schouten,

 

We kennen elkaar niet persoonlijk, maar toch neem ik de vrijheid u te schrijven.

Ik worstel een beetje met de toon van deze brief. U bent minister van Armoedebestrijding, Participatie en Pensioenen, vicepremier zelfs; u heeft politieke macht. Ik ben een schrijver en heb weliswaar de macht van het woord, maar ben ook een ‘gewone’ burger. Welke toon is gepast? Maar vooral: met welke taal ontsnap ik aan de ongelijkwaardigheid die al snel op de loer ligt wanneer je mensen in posities als de uwe – zogenaamde hoogwaardigheidsbekleders – aanspreekt? 

In gedachten zie ik u glimlachen. Omdat ik denk dat u dit dilemma herkent van werkbezoeken in het land en vanuit uw eigen achtergrond. U bent niet met een gouden lepel in de mond geboren, noch heeft u in uw leven voor de gemakkelijkste weg gekozen; van wat ik over u heb gelezen maak ik op dat u als alleenstaande jonge moeder twijfel, angst en zelfs de dreiging van armoede hebt gekend. U komt op mij over als een bescheiden, integer bestuurder met grote betrokkenheid bij de mensen voor wie u geacht wordt zich in te zetten: vrouwen, mannen en kinderen die worstelen met armoede en alle mogelijke bijkomende problemen, zoals stress, uitsluiting, achterstelling, laag zelfbeeld, depressie en uithuisplaatsing van kinderen. ‘Gewone mensen’, zeg maar, en ik gebruik aanhalingstekens omdat ik de term ‘gewone mensen’ nogal neerbuigend en neutraliserend vind klinken. Ik gebruik hem echter toch, omdat dit het onderwerp is waarover ik het met u wil hebben: de taal. Onze taal. En vooral over het feit dat  die nooit neutraal is, ook al gaan we daar meestal stilzwijgend van uit. Taal wordt altijd gebezigd in een context van machtsverhoudingen. Taal kan een struikelblok in menselijk contact zijn, juist wanneer we vanuit verschillende perspectieven spreken. U zult zich daarvan bewust zijn; in een reportage in Vrij Nederland (2 juni 2022) over u en uw missie, las ik dat u tijdens werkbezoeken vooral luistert naar mensen en minder zelf spreekt. Dat begrijp ik en respecteer ik. Woorden kunnen zijn als granaten die ieder moment kunnen ontploffen. Om op uw terrein te blijven, armoede, denk ik aan termen als ‘de onderkant van de samenleving’, ‘kansarm’, ‘afvalputje’, ‘achterstandswijk’, ‘laagopgeleid’. Onverbloemd stigmatiserende en minachtende classificaties die regelmatig en zonder ironie of zelfreflectie worden gebezigd door journalisten, hulpverleners, politici, ambtenaren, bestuurders (u heb ik dit soort woorden niet in de mond horen nemen, gelukkig), al of niet met de beste bedoelingen.

Als iemand met een ‘gewone’ arbeidersachtergrond word ik razend en opstandig van dit soort taal. Als er zo over je wordt gesproken, herken je je alleen maar minder in het beleid dat jouw situatie treft. Is het gek dat mensen zich afkeren van de politiek en cynisch worden?, denk ik dan.       

Foto: Martijn Beekman
Foto: Fjodor Buis

 

Vandaar dat ik het graag met u en de lezers van deze openbare brief wil hebben over de bundel Chinatown (2021) van de Zuid-Afrikaanse dichter Ronelda Sonnet Kamfer, prachtig in het Nederlands vertaald door Alfred Schaffer. Omdat ik denk dat de literatuur, met als onthutsend mooi voorbeeld de literaire stem van Kamfer, een uitweg kan bieden uit dit probleem van de taal. 

ik ben oud genoeg om te weten
dat integriteit iets is voor mensen die denken
dat ze beter zijn dan een ander
ik heb mijn deugden al lang geleden
geruild voor de vrijheid van mijn zonden

‘Miss Militancy’ is de titel van dit gedicht. Het lijken argeloze, simpele woorden, je voelt als lezer het onbehagen, woede misschien wel, onder de woorden, maar vooral toch stelligheid en trots. Hier spreekt iemand die weet waarover ze het heeft, laat daarover geen twijfel bestaan. Kamfer draait in haar werk stelselmatig burgerlijke waarden om en confronteert de lezer met zijn eigen (voor)oordelen en perspectief. Zoals in het gedicht ‘Probeer maar eens’.

Probeer maar eens geboren te worden en je moeder/ en vader kunnen je naam niet eens schrijven/ probeer maar eens op te groeien in een éénkamerhuis/ met dakplaten van asbest (…) probeer maar eens een donkere huid en kroeshaar te hebben/ in een wereld die denkt dat het tegenovergestelde mooi is (…). Ze gaat door, in een drenzend en dreinend ritme, bezwerend bijna, probeer maar eens alles te overleven/ je school af te maken/ te ontsnappen aan het getto (…) tot, dat ene moment (..) waarop je besefte/ ik heb het overleefd/ en dan grijp je dat moment/ en zet er een streep onder/ smijt het in het eerste witte gezicht dat je ziet/ wat jouw overleving is de zoveelste suprematische/ uitvinding je hebt geen fuck overleefd/ je bestaat in de echte wereld.

Het is mijn favoriete gedicht uit de bundel. Nooit eerder las ik poëzie die zo treffend het destructieve, onderdrukkende effect van de geprivilegieerde (witte) blik op de zogenaamde ‘ander’, de ‘arme’ of ‘zwarte’, het ‘kind uit een achterstandsmilieu’ blootlegt én ontzenuwt. Dat Kamfer dat doet in poëzie is geniaal, bevrijdend én subversief: ze tilt daarmee de ervaring en de thematiek als het ware op, brengt ze naar een ander domein – dat van de poëzie, schoonheid, verbeelding – in schijnbaar eenvoudige, maar niet minder gelaagde en al helemaal niet minder effectieve bewoordingen. Kamfer saboteert de opgelegde onderdrukkende machtsverhoudingen én de bijbehorende taal; ze haalt de angel uit stigma’s waar bijna niet aan te ontsnappen valt wanneer je uit de ‘onderklasse’ – nog zo’n woord – komt en creëert zo een nieuwe vocabulaire. Jouw overleving is de zoveelste suprematische/ uitvinding je hebt geen fuck overleefd 

Als iemand met een ‘gewone’ arbeidersachtergrond word ik razend en opstandig van dit soort taal. Als er zo over je wordt gesproken, herken je je alleen maar minder in het beleid dat jouw situatie treft. Is het gek dat mensen zich afkeren van de politiek en cynisch worden?

Kamfer schrijft vaak vanuit haar eigen perspectief en verbindt zich in haar werk onverbloemd met de ‘underdog’, weer zo’n term. Ze groeide op in armoede op de Kaapse Vlakten, in wat in burgerlijke termen ook wel een ‘getto’ wordt genoemd. Kamfers poëzie is empowerend voor wie zich herkent in haar ervaringen; pijnlijk confronterend voor degene die zich aangesproken voelt. Mijn literaire helden winnen geen belangrijke literaire prijzen (…)/ mijn gedichten zijn voor de vrouwen in de keuken (…)/ ik ben het kind van de werkster en nu ben ik groot/ ik ruil mijn moeders as voor kruit/ voor de volgende generatie/ opdat die gewapend kan zijn/ jullie schieten ons niet nog eens in de rug/ terwijl wij angstig wegrennen

Natuurlijk, de Zuid-Afrikaanse context van strijd en post-Apartheid is een totaal andere dan de betrekkelijk veilige Nederlandse. Toch denk ik dat Kamfers revolutionaire poëtica ook hier in Nederland, waar ongelijkwaardigheid, racisme en armoede misschien wat meer verhuld zijn dan in Zuid-Afrika (maar net zo goed slachtoffers maken), keihard aankomt. Juist omdat we zo’n behoefte hebben aan een taal die de bestaande machtsverhoudingen niet weerspiegelt maar bevraagt en uitdaagt.

Chinatown (en ander werk van Kamfer) zou verplichte lectuur moeten zijn voor journalisten, politici, bestuurders, ambtenaren en hulpverleners, maar omdat verplichting meestal niet zo goed werkt, hoop ik dat deze open brief hen bereikt en dat ze zelf op het idee komen het werk van Ronelda S. Kamfer te gaan lezen.

Toch denk ik dat Kamfers revolutionaire poëtica ook hier in Nederland, waar ongelijkwaardigheid, racisme en armoede misschien wat meer verhuld zijn dan in Zuid-Afrika (maar net zo goed slachtoffers maken), keihard aankomt.

En het zou goed zijn als Chinatown op leeslijsten op middelbare scholen (en dan niet alleen havo en vwo, maar ook op alle niveaus in het vmbo), zou prijken. Ik ben ervan overtuigd dat veel jonge mensen die nu denken dat literatuur ‘niet voor ons’ is, omdat ze zichzelf niet herkennen in de aangeboden romans en bundels, steun, kracht en inspiratie zullen vinden in Kamfers gedichten en wellicht aangemoedigd worden zélf dichter te worden (zoals in Zuid-Afrika gebeurde, waar ze een nieuwe mondige generatie dichters wist te inspireren). In Kamfers wereld leent alles zich voor poëzie. Zoals bijvoorbeeld in ‘Niemand is stuk.’

de groepsleider staat op en spreekt een paar motiverende woorden/ tegen een ieder van ons/

onderweg op onze reis naar eigenliefde en nuchterheid/ (…) roept me naar voren/ legt zijn klamme hand op mijn schouder en glimlacht Ronelda/ was lastig maar ze heeft het gered de reis is niet ten einde dit is/ het begin het vergt moed om eigenliefde in jezelf toe te laten hij/ wacht op een paar woorden van mij ik zeg onhandig ik ben niet stuk/ niemand is stuk

Zonder u ook maar iets op te willen dringen, raad ik u van harte aan Chinatown te lezen en daarna haar andere werk. Bijna heel het oeuvre van Ronelda S. Kamfer is in het Nederlands vertaald.

 

Met vriendelijke groeten,

Christine Otten

 

Chinatown

Bij vlagen woedend, sterk feministisch maar ook met veel (inktzwarte) humor schrijft Kamfer over een geschiedenis van complexe familieverhoudingen en hoe je een dochter opvoedt in het Zuid-Afrika van nu. Vertaald door Alfred Schaffer.

Lees meer

De ander bestaat niet

Aan de hand van haar eigen ontwikkeling als auteur laat Christine Otten zien hoe literatuur ingezet kan worden voor emancipatie en persoonlijke bevrijding van schrijver en lezer.

Lees meer

Carola Schouten

Carola Schouten (CU) studeerde Bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit en was minister van Landbouw in kabinet-Rutte III. In kabinet-Rutte IV is Schouten minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen.

Meer over Carola Schouten