De grootsheid van het allerkleinste
We zien ons leven door een managersbril. Dat is althans de pijnlijke conclusie uit het onlangs verschenen boek Een schitterende leegte van filosoof Lieke Knijnenburg, dat de ondertitel Een poging tot verzet tegen onze obsessie met productiviteit draagt. Niet alleen werken we ons de ene na de andere burn-out in; ook ons privéleven lijkt steeds meer te draaien om efficiëntie, productiviteit en doelgerichtheid. We gebruiken Google Maps om zo snel mogelijk van A naar B te komen, we stellen reminders in om elkaars verjaardagen niet te vergeten of om nog even een appje te sturen naar die ene vriend die we al een halfjaar verwaarlozen. Het resultaat van dit alles: langzaam maar zeker worden we ook zelf gereduceerd tot niets meer dan een taak op andermans takenlijstje.
De grootste zonde van dit gejaagde leven is waarschijnlijk dat je zoveel details over het hoofd ziet. Om in de literatuur weerstand te bieden tegen die tendens, zou je als schrijver het liefst willen inzoomen op het allerkleinste, het allerstilste, het allerleegste, om de enorme schoonheid bloot te leggen die er in die details besloten zit.
Rimpelingen, de nieuwste novelle van Bibi Dumon Tak, is bijvoorbeeld zo’n boek. Daarin leren we de net overleden Marthe kennen, die is gevallen toen ze het leven van een langpootmug probeerde te redden. Aan de hand van de meubels en diertjes in haar huis leren we over het verstilde leven dat de vrouw leidde. Iedere dag stond Marthe vroeg op, ging zitten in een leunstoel voor het raam, en noteerde alles wat ze zag. Kringen op een stoelleuning, stofjes in het binnenvallende licht, ‘Mussen die in een rijtje op de rand van de schutting wachtten tot er een plekje was vrijgekomen in de voedersilo aan de tak van de berk.’
In Weken maanden jaren van Sara Baume, het ILFU book club-boek van deze maand, volgen we het lege leven van Bell en Sigh, die vanuit de stad naar het zuidwesten van Ierland zijn verhuisd. In deze roman zijn de kleine, beeldschone details zo alomtegenwoordig dat het lezen van het verhaal op zichzelf al een halve mindfulness-exercitie wordt. Lees bijvoorbeeld deze openingsalinea’s eens, en probeer daarbij stil te staan bij ieder beeld dat de auteur oproept:
De berg zat vol oogjes: de gele ringetjes van langooruilen, de bijna blinde speldenknopjes van dwergspitsmuizen, de roerloze bolletjes van bromvliegen, de glinsterende zwarte kraaltjes van bruine ratten.
De berg zat vol oogjes van fazanten, vossen, hagedissen, huismussen, lijsters, konijnen, kevers, marters, muizen, luizen. En elk oog was enkel en alleen gericht op het dichtstbijzijnde stukje grond, struik, rots of lucht. Elk oog had een andere kijk op de patronen, kleuren en afmetingen van zijn eigen plek. Elk oog bewoog, maar beleefde steeds hooguit één plek per keer. Alleen de berg keek omhoog, omlaag en om zich heen, zag alles tegelijk, hield de wacht.
Door te letten op het allerkleinste staan we niet alleen stil bij de waardevolle dingen in het leven, bij het verstrijken van de tijd, maar het herinnert er ons tevens aan dat we niet alleen zijn op deze planeet. Bij zowel Dumon Tak als Baume staan de personages altijd in contact met wat er om hen heen leeft, of dat nu een langpootmug, dwergspitsmuis, berg of het krimpende en uitzettende plafondhout is.
(Tekst gaat verder onder de aankondiging)
We zijn onderdeel van iets groters, zeggen beide boeken, en dat besef heeft iets enorm relativerends en geruststellends. We hoeven helemaal geen efficiëntietargets te halen, we hoeven eigenlijk helemaal niets te doen, dat doen de langooruilen en bromvliegen om ons heen ook helemaal niet. We hoeven alleen maar te zijn, te leven, respect en aandacht te hebben voor wat er om ons heen gebeurt. Niet overpeinzen, niet overal betekenis aan proberen te geven.
Dat laatste lijkt tevens de opvatting van Volkskrant-recensent Emilia Menkveld in haar bespreking van Weken maanden jaren:
Wat is dan het punt van dit verhaal? Het draait in elk geval niet om de plot; in het hele boek gebeurt weinig noemenswaardigs. Jaar na jaar nemen Bell en Sigh zich voor om de berg achter hun huis te beklimmen. Dat het er uiteindelijk van komt, is nauwelijks een ontknoping te noemen. Toch is het boek moeilijk weg te leggen. Dat komt in de eerste plaats door het rijke taalgebruik en de vele originele observaties.
De roman van Baume confronteert ons daarmee ook met de mate waarin doelgericht denken onze leeservaring in de weg kan zitten: waarom wachten op een ontknoping, een plot, een route van A naar B, terwijl we onderweg in ieder woord al zoveel moois tegenkomen? Nee, in plaats daarvan raad ik je aan om een boek als Weken maanden jaren zonder verwachtingen te lezen, om er twee keer zo lang over te doen als je over een andere roman zou doen, om het boek zo nu en dan weg te leggen om uitgebreid stil te staan bij de allerkleinste details in je eigen kamer. Je zult merken dat je hartslag vertraagt, dat je dag langer lijkt te duren.
Ook aandachtig lezen is een vorm van aandachtig leven. Een erg dankbare vorm zelfs, eentje waar je vandaag al mee kunt beginnen, en het is in ieder geval minder rigoureus dan een verhuizing naar het Ierse platteland. En wie vandaag nog rustig richting de boekhandel kuiert (vooral niet rennen, en vooral goed om je heen kijken) om Weken maanden jaren van Sara Baume in huis te halen, is nog mooi op tijd om aanstaande maandag naar het ILFU-hoofdkwartier te komen voor onze book club-avond. We gaan daar in intieme setting met elkaar over het verhaal in gesprek, om vervolgens Sara Baume in levende lijve te ontmoeten. En: we gaan het uitgebreid over de kleinste details hebben, beloofd.