Voorpublicatie uit Grijze bijen, Andrej Koerkovs afscheid van de Krim

Vandaag verschijnt Grijze bijen van de Oekraïense schrijver Andrej Koerkov bij Prometheus, vertaald door Arie van der Ent. Hier lees je alvast een voorpublicatie van het boek, voorafgegaan door het voorwoord van Koerkov zelf.

Onze curator Lisa Weeda stuitte al eerder op het nieuwe boek van Andrej Koerkov en vond daar een antwoord op de vraag: "Hoe kan je schrijven over een oorlog die nog niet voorbij is?" Koerkov vertelt in Grijze bijen het verhaal van de jong gepensioneerde bijenhouder Sergej Sergejitsj die na drie jaar oorlog is achtergebleven in de grey zone tussen de Oekraïense troepen en de pro-Russische separatisten. Verstoken van enig menselijk contact, en te midden van een constante geweldsdreiging, voelt Sergej zich alleen nog verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn bijen. Hij besluit vanuit deze 'grijze zone' naar de Krim te reizen. Grijze bijen is voor de schrijver deels een persoonlijk afscheid van "een Krim, zoals die misschien nooit meer zal bestaan", een Krim dat tijdens de annexatie in 2014 in Russische handen viel. Het zette de oorlog in gang die verre van voorbij is.

Opslaan

Tags

#WhyFictionMatters Oekraïne Oorlog

Al meer dan 1000 ILFU leden steunen de fictie. Jij ook?

Vertel me meer

Woord vooraf

Zeven jaar geleden, in 2013, eindigde Vladimir Poetins mislukte poging om Oekraïne af te scheiden van Europa en in zijn ‘familie van broedervolkeren’ op te nemen – in een hernieuwd tot leven gebrachte versie van de Sovjet-Unie dus – in een revolutie. Als gevolg van de volksopstand die de naam Euromajdan kreeg, zagen de pro-Russische politieke elites van het land, onder leiding van Viktor Janoekovitsj, de toenmalige president, zich genoodzaakt van Kyiv naar Moskou te vluchten. In 2014, toen de macht in handen van pro-Europese krachten was gekomen, wist Rusland het Oekraïense schiereiland de Krim in te pikken en agenten, vrijwilligers en activisten naar Donetsk, Loehansk, Charkiv, Odesa en andere steden in het oosten en zuiden van het land te sturen om anti-Kyivrevoltes aan te wakkeren. Zo begon de oorlog waar Rusland maar geen eind aan wil maken en die het regelmatig blijft voorzien van militair personeel en duizenden tonnen wapens en munitie. Poetins oogmerk is simpel: een Oekraïne met een permanente oorlog in het oosten zal nooit een welkom krijgen van Europa en de rest van de wereld. En inderdaad, de wereld is Oekraïne en zijn oorlog goeddeels vergeten, zoals het ‘stille’, vastgelopen conflicten pleegt te vergeten. De frontlijn tussen Oekraïense troepen en pro-Russische separatisten in de zelfverklaarde ‘volksrepublieken’ Donetsk en Loehansk in het oosten is zo’n 450 kilometer lang. En de ‘grijze zone’ tussen deze twee kampen heeft dezelfde lengte, terwijl de breedte ervan varieert van een paar honderd meter tot een paar kilometer, afhankelijk van de intensiteit van de vijandelijkheden en van het landschap ter plekke. De meeste inwoners zijn helemaal aan het begin van het conflict vertrokken, met achterlating van flat of huis, boomgaard of boerenbedrijf. Sommigen vluchtten naar Rusland, anderen verhuisden naar het rustige deel van Oekraïne, weer anderen sloten zich bij de separatisten aan. Maar hier en daar weigerde een klein aantal koppige bewoners van hun plek te komen. Ze bleven zitten waar ze zaten, midden in een oorlog, luisterend naar de fluittoon van overvliegende projectielen en af en toe granaatscherven uit hun tuin ruimend. Sommige van deze volhouders hebben inmiddels de dood gevonden, maar anderen hebben standgehouden in deze nieuwe vreemde, woeste werkelijkheid, in dorpen die eens dichtbevolkt waren maar nu verder uitgestorven zijn, waar alle winkels, postkantoren en politiebureaus gesloten zijn. Niemand weet precies hoeveel mensen er nog in de grijze zone verblijven, midden in de oorlog. Het enige bezoek dat ze krijgen is dat van Oekraïense soldaten en militante separatisten, die ofwel op zoek zijn naar de vijand of gewoon nieuwsgierig zijn – om te zien of er nog iemand over is. En de achtergeblevenen, die vooral het vege lijf willen redden, treden beide partijen met verregaande diplomatie en nederige vriendelijkheid tegemoet. Sinds de winter van 2015, minder dan een jaar na Ruslands annexatie van de Krim en het begin van het conflict, heb ik drie reizen door de Donbas gemaakt, de oostelijke streek waar Donetsk, Loehansk en de grijze zone toe behoren. Daar was ik er getuige van hoe de angst van de bevolking voor oorlog en mogelijke dood van lieverlee overging in apathie. Ik zag hoe de oorlog ‘normaal’ werd, zag hoe mensen die probeerden te negeren, ermee probeerden te leren leven, als met een opvliegende, drinkende buurman. Het maakte allemaal zo’n diepe indruk dat ik er een roman over besloot te schrijven. Die zou zich niet concentreren op militaire operaties en heldhaftige soldaten, maar op doodgewone mensen die de oorlog niet hun huis uit had weten te krijgen. Deze mensen hebben bepaalde dingen gemeen. Ze doen hun best om onopvallend te blijven, bijna gezichtloos te zijn, deels om onopgemerkt te blijven voor de oorlog. Maar ze zijn altijd zo geweest in de Donbas, een landstreek van kolenmijnen en metaalbedrijven. In de Sovjettijd waren deze mensen er trots op om een onopvallend deel te zijn van het ‘grote industriële geheel’. De Russen hadden er zelfs een speciale aanduiding voor – ‘Donbasmensen’, alsof ze de kinderen waren van mijnen en steenbergen, zonder etnische wortels. De hoofdpersoon van mijn boek – Sergejitsj, een jong gepensioneerde invalide en toegewijde bijenhouder – is een van deze ‘Donbasmensen’. Het noodlot voert hem uiteindelijk naar de Krim, waar hij zijn bijen een fijne vakantie hoopt te bezorgen. Sergejitsj’ verblijf in het zuiden wordt echter een en al narigheid. Hoe hij ook zijn best doet, Sergejitsj kan niet helemaal neutraal blijven als hij de voortdurende onderdrukking van de Krim- Tataren door de nieuwe machthebbers gadeslaat. Zijn sympathie voor deze moslims wekt de argwaan van de Russische veiligheidsdienst – de beruchte FSB – en brengen, nog alarmerender, zijn geliefde bijen in gevaar.

De wereld is Oekraïne en zijn oorlog goeddeels vergeten, zoals het ‘stille’, vastgelopen conflicten pleegt te vergeten.

Met mijn gezin was ik in januari 2014 voor het laatst op de Krim. Al voor de Russische annexatie wapperde in Sebastopol overal de Russische vlag. De tweede helft van deze roman is op een bepaalde manier mijn persoonlijke afscheid van een Krim zoals die misschien nooit meer zal bestaan. Zoals ik ook niet weet wanneer ik naar het oosten van Oekraïne zal terugkeren, of wanneer er een eind komt aan dit conflict. Maar ik hoop van ganser harte dat de oorlog de bewoners van de grijze zone met rust laat – dat hij verdwijnt, en dat de honing, gemaakt door de bijen van de Donbas, zijn bittere kruitsmaak verliest.

Andrej Koerkov,

Kyiv, 2020

1

Om drie uur ’s nachts werd Sergej Sergejitsj wakker van de kou. De potkachel die hij eigenhandig naar een tekening in het blad Buitenleven in elkaar had geknutseld, met zijn glazen deurtje en twee komfoorringen om op te koken, gaf geen warmte meer. De blikken kitten ernaast waren leeg. Hij liet in het donker zijn hand in de dichtstbijzijnde zakken en zijn vingers stootten op het kolengruis. ‘Toe maar!’ bromde hij slaperig. Hij deed zijn broek aan, stak zijn blote voeten in zijn van een paar afgesneden viltlaarzen gemaakte sloffen, schoot zijn leren jack aan, pakte een van de emmers en liep het erf op. Bij de hoop kolen achter de schuur bleef hij staan. Zijn ogen vonden de schop – buiten was het veel lichter dan binnen. De kleine kooltjes kletterden tegen de bodem van de emmer. Toen die met een eerste laag was bedekt, verdween ook het galmende geluid en was het alsof ze verder geluidloos neervielen. In de verte klonk een kanonschot. En een halve minuut later weer een, maar dat leek van een andere kant te komen. ‘Moeten die sukkels dan niet slapen? Of willen ze zo een beetje warm worden?’ foeterde Sergejitsj vol ongenoegen.

Zelf woonde hij aan de Leninstraat, in zijn eentje, zonder daar trots op te zijn.

Hij keerde terug naar het duister van zijn huis. Stak een kaars aan. De aangename, warme en honingzoete geur sloeg tegen zijn neus. Hij hoorde het zachte, vertrouwde en rustgevende tikken van de wekker op de smalle houten vensterbank. Er was nog wat warmte in de kachel achtergebleven, maar toch had hij de uit de vrieskou gekomen kolen zonder houtspaanders en papier niet aan gekregen. Pas toen de lange, diepblauwe tongen tegen het beroete glas dansten, liep de heer des huizes nogmaals het erf op. Het verre, binnen vrijwel onhoorbare kanongebulder kwam van de oostkant. Maar hier, dichterbij, was een ander geluid dat Sergejitsj’ aandacht trok en hem de oren deed spitsen: er reed een auto over de naastgelegen straat. Eenmaal voorbij bleef hij staan. Het dorp had maar twee straten: de Leninstraat en de Sjevtsjenkostraat, verbonden door de Mitsjoerindwarsstraat. Zelf woonde hij aan de Leninstraat, in zijn eentje, zonder daar trots op te zijn. Die auto reed dus over de Sjevtsjenkostraat. Daar was ook maar één bewoner over – Pasjka Chmelenko*, eenzelfde jong gepensioneerde, een jaargenoot haast, een jeugdvijand vanaf de eerste klas van de dorpsschool. Zijn moestuin gaf op Horlivka uit, hij woonde dus één straat dichter bij Donetsk dan Sergejitsj. Sergejitsj’ moestuin keek de andere kant op, naar Slovjansk. Zijn moestuin liep glooiend af naar het bouwland dat eerst naar beneden liep en vervolgens weer omhoog, naar Zjdanivka. Zjdanivka zelf was vanuit de moestuin niet te zien, het leek zich achter een bult te verstoppen. Maar het Oekraïense leger, dat zich daarop met kazematten en loopgraven had verschanst, liet zich van tijd tot tijd wel horen. En als het niet te horen was, wist Sergejitsj evengoed wel dat het daar, links van het bosperceel waar vroeger de tractoren en de vrachtwagens over de aarden weg langs hadden gereden, in zijn kazematten en loopgraven zat. Al drie jaar zat het daar. Net als het plaatselijke manvolk dat met de Russische militaire Internationale in zijn kazematten achter Pasjka’s Sjevtsjenkostraat thee en wodka dronk, voorbij de moestuinen, voorbij de resten van de oude abrikozenboomgaard die nog uit de Sovjettijd stamde, en voorbij het land dat door de oorlog zonder boeren was achtergelaten, net als het bouwland tussen Sergejitsj’ moestuin en Zjdanivka. Wat was het stil nu! Het was al twee weken stil. Ze schoten niet meer op elkaar. Zouden ze er genoeg van hebben? Zouden ze de projectielen en patronen voor de toekomst bewaren? Of zouden ze de twee laatste bewoners van Mala Starohradivka, die zich vaster aan hun huis en bedoening hadden vastgeklampt dan een hond aan zijn geliefde bot, gewoon met rust willen laten? De overige bewoners van Mala Starohradivka hadden meteen bij het begin van de oorlogshandelingen weg gewild. En ze waren ook gegaan. Omdat ze meer voor hun leven vreesden dan voor het verlies van hun bezit en uit deze twee angsten voor de sterkste hadden gekozen. Sergejitsj vreesde door de oorlog niet voor zijn leven. De oorlog had hem wel een zeker onbegrip en een plotselinge onverschilligheid voor alles om hem heen bezorgd. Alsof alle gevoelens waren verdwenen, op een na – zijn gevoel van verantwoordelijkheid. Nou ja, het gevoel dat op elk moment van de dag of de nacht zijn onrust kon wekken, gold alleen zijn bijen. Maar nu waren ze aan het overwinteren, de wanden van hun kasten waren dik, boven op de raten en onder de dichte deksels lagen lappen vilt. Vanbuiten, aan de zijkanten, zaten platen ijzer.

De oorlog had hem wel een zeker onbegrip en een plotselinge onverschilligheid voor alles om hem heen bezorgd. Alsof alle gevoelens waren verdwenen, op een na – zijn gevoel van verantwoordelijkheid.

Ook al stonden de kasten dan in een schuur, zo’n gemene granaat kon van alle kanten aan komen vliegen en dan zouden de scherven eerst door het ijzer heen moeten snijden en daarna misschien niet meer de kracht hebben om de houten wanden van de bijenkasten te doorboren en hun bijendood te zaaien.

*Paultje Teut

Grijze bijen van Andrej Koerkov (vertaald door Arie van der Ent) komt vandaag uit bij Prometheus!

In een klein dorp in de Donbas, in het grijze niemandsland tussen loyalisten en separatisten, woont de jong gepensioneerde bijenhouder Sergej Sergejitsj. Na drie jaar oorlog zijn hij en Pasjka, de grote plaaggeest van zijn kindertijd, als enigen in Mala Starohradivka achtergebleven...

Meer over Grijze bijen

Vond je dit interessant?

Op 1 oktober praten we verder over de verborgen geschiedenis van Oekraïne