ILFU x Centraal Museum: Haakwerk, een verhaal van Mazen Maarouf

Twee ogenschijnlijk totaal verschillende collecties ontmoeten elkaar in Double Act: de monumentale video-installaties van de Amerikaanse familie Kramlich en 17de-eeuwse schilderwerken van het Centraal Museum. ILFU en het Centraal Museum voegen samen een extra laag aan de tentoonstelling toe. Diverse schrijvers en dichters lieten zich inspireren door het tijdloze van de schilderijen en het visuele verhaal van de videokunstenaars. Vandaag: Mazen Maarouf schreef een verhaal bij een combinatie van videowerken van Richard Mosse en een schilderij van Hendrick ter Brugghen.

Tags

Double Act Kunst

Al meer dan 1000 ILFU leden steunen de fictie. Jij ook?

Vertel me meer

Haakwerk

vertaald door Richard van Leeuwen

Soe’da had veel poppen. Ze waren allemaal gehaakt. Ze maakte ze niet om te verkopen; ze hield ze voor zichzelf, want ze was alleen. Nooit had iemand haar iets horen zeggen, en als je probeerde met haar te praten, gaf ze geen antwoord. Dan boog ze haar hoofd en haakte ze met haar nerveuze vingers een pop en bood die aan je aan.

We gingen elke ochtend wandelen langs de zee. We wisten niet waar ze de draden vandaan haalde, hoe ze het geld ervoor bij elkaar kreeg, of wat voor werk ze deed. Wat we niet wisten, was dat Soe’da, omdat ze zoveel van haken hield, in staat was om uit alles een draad te trekken. Als ze een groene draad wilde, stak ze haar hand uit naar de dichtstbijzijnde plant en haalde er een groene soepele draad uit. Als ze een witte draad nodig had, trok ze hem uit de eerste wolk die voorbijkwam. Als ze draden nodig had die glansden, wachtte ze tot het nacht was en daalden er draden uit de sterren op haar neer. Niemand kon zich voorstellen dat Soe’da haar draden op deze manier verzamelde. Haar huis was helemaal gevuld met haakwerk, zowel dieren als mensen, allemaal zonder ogen. Dat kwam misschien doordat Soe’da een broertje had dat, toen ze nog klein was, blind was geworden. Hij was niet plotseling blind geworden, het was geleidelijk gebeurd. Hij was ook niet echt blind geworden, maar had alleen maar het vermogen verloren om kleuren te zien. Dat zei hij tenminste als je hem ernaar vroeg. Niemand wist de reden waarom Soe’da’s poppen geen ogen hadden.

Het was zo dat Soe’da’s broertje de gedachte dat hij zijn gezichtsvermogen had verloren niet kon accepteren. De eerste dagen was hij erg gefrustreerd en slecht gehumeurd, waardoor hij de poppen van zijn zusje stukmaakte. Hij zei tegen haar: ‘Jij hebt ze toch niet meer nodig, want je moet met mij meegaan naar het paleis van verloren voorwerpen.’ Soe’da dacht dat alle spullen die de mensen verloren, zelfs dapperheid, of kleuren, werden verzameld op het oppervlak van de maan, op de donkere kant, en dat haar broertje om die reden altijd naar boven keek sinds hij zijn gezichtsvermogen had verloren. Maar toen hij haar vertelde over het paleis, begreep ze dat dat een vergissing was. Ze pakte de spullen in die ze nodig had, zoals kleren, boeken en eten, om in de vroege ochtend met hem mee te gaan naar het paleis van de verloren voorwerpen, om zijn kleuren terug te vragen. ‘Zeg tegen niemand dat we morgenochtend gaan, zelfs niet tegen mama en papa. Als iemand ervan weet, krijg ik mijn kleuren niet terug.’ Soe’da knikte en zwoer dat ze hun geheim aan niemand zou verraden. Ze ging die avond zelfs vroeger slapen dan normaal. Maar haar broertje nam haar niet mee naar een paleis. Nadat ze lange tijd hadden gelopen, gingen ze een afgelegen en half ingestort stenen huis binnen, midden op een dor stuk land. Ervoor stond een grote, oude johannesbroodboom. Het stenen huis was zo oud dat de muren van binnen bedekt waren met wilde andijvie.

Haar broertje wist niet dat Soe’da dacht dat het haar schuld was dat hij blind was geworden.

Richard Mosse, Madonna and Child © Richard Mosse, Courtesy of the artist and Jack Shainman Gallery, New York

Die dag had ze ruzie gemaakt met de dochter van de conciërge van school. Soe’da was zo gemeen tegen haar geweest, dat het meisje zich alleen had kunnen verdedigen door te zeggen: ‘God geve dat je broertje vandaag blind wordt.’ Die woorden troffen Soe’da als een bliksem, en ze bond meteen in. Misschien was ze zo geschokt omdat het meisje meende wat ze zei, of omdat haar woorden een sterk gevoel van macht verrieden. Soe’da was degene die haar had aangevallen. Het voorval had vlak na de tekenles plaatsgevonden. De lerares had de leerlingen gevraagd iets te tekenen, wat ze maar wilden, op een wit vel. Ze mochten zelf beslissen of ze de tekening wilden inkleuren of niet. Nadat de vellen waren ingeleverd, zag iedereen dat Soe’da en de dochter van de conciërge precies dezelfde tekening hadden gemaakt, een grote vijg over het hele vel. Soe’da dacht dat het meisje het van haar had afgekeken, want het was niet het seizoen voor dit soort vruchten. Het meisje glimlachte vriendelijk en zei dat dit erop wees dat ze op dezelfde manier dachten en dat ze vriendinnen zouden worden. Maar Soe’da beschuldigde haar van diefstal en leugens. Ze gooide haar met één duw van haar hand op de grond en verscheurde haar tekening om haar nog meer te kwetsen. Op dat moment klonken de woorden van de leraar natuurwetenschap in haar hoofd: ‘De mens is in staat om alles te leren.’ Blijkbaar had de dochter van de conciërge geleerd de gedachten van anderen te stelen, zelfs als ze vijf stoelen van elkaar af zaten.

Die dag overkwam haar broertje niets, en de volgende dag en de vrije dag aan het eind van de week ook niet. Maar Soe’da bleef ongerust. Ze zei dat ze, als cadeau voor haar verjaardag, wilde dat haar ouders haar en haar broertje mee naar de ogendokter nam om zijn ogen te onderzoeken. Niemand begreep waarom ze dit vroeg. Soe’da hield echter niet op met huilen en smeken, en uiteindelijk stemde haar moeder toe. De praktijk van de dokter was niet ver weg, aan de rand van het dorp. Toen de familie er aankwam, zaten er meer dan tien kinderen op hun beurt te wachten. Uit hun ogen liep een kleverige vloeistof, en ze voelden een stekende pijn in hun pupillen. De dochter van de conciërge en haar broer zaten er ook. Haar broer zag er ziek uit en ze drukte hem tegen zich aan. Soe’da werd ongerust. Was het mogelijk dat zij hetzelfde waren? Zozeer dat elk onheil dat haar broertje overkwam ook de broer van de dochter van de conciërge trof? Soe’da had de mensen horen zeggen dat sommige kinderen een oogbeschadiging hadden opgelopen na de laatste gevechten, omdat de strijders nieuwe munitie hadden uitgeprobeerd. Destijds had ze daar geen aandacht aan geschonken, maar nu stonden er twee strijders bij de deur van de praktijk, die allebei zwarte zonnebrillen droegen, van dure merken, met afgebroken poten. Een van hen vroeg Soe’da, haar moeder en haar broertje op bevelende toon om te wachten. De dokter lachte en zei dat de ogen van haar broertje honderd procent in orde waren, Hij liet hem een donkere afbeelding van vogels en vruchten zien, en een slapende ridder, en hij kon alle kleuren onderscheiden.

Er gingen weken en maanden voorbij zonder dat er iets naars met haar broertje gebeurde, totdat ze op een dag met hun moeder terugliepen van school. Hun moeder stak haar hand uit naar de schooltas van haar broertje, om hem voor hem te dragen, want de tas zat altijd vol met boeken en hij was tenger gebouwd. Maar hij rukte zich koppig los, waardoor hij tegen de onderkant van een afgebroken metalen paal botste en viel. Zijn hoofd was waarschijnlijk ergens tegenaan gekomen, maar hij stond op en voelde zich alleen wat slaperig. Toen ze thuiskwamen ging hij tot de volgende ochtend slapen. Daarna begon hij het vermogen om kleuren te zien te verliezen, de ene kleur na de andere. Soe’da en haar moeder waren niet de enigen die dachten dat zij de oorzaak van zijn blindheid waren, want Soe’da’s vader dacht dat het door hem kwam. Maar Soe’da begreep niet waarom haar vader zulke dingen zei. Ze veronderstelde dat het te maken had met iets dat hij buitenshuis had gedaan en waar hij spijt van had. Ze hoorde haar moeder tegen hem zeggen dat ze van hem hield, maar dat ze het hem nooit zou vergeven.

De ruzies van haar ouders hielden Soe’da niet zo bezig. Ze zei altijd tegen zichzelf dat er niets was gebeurd als de tekening van de vijg er niet was geweest, en dat het haar schuld was. Ze vroeg aan haar broertje om de wereld van de blinden meteen nadat hij er was binnengegaan te beschrijven, want hij vormde zich snel en verdween weer even snel. Was ze maar in staat geweest om te zien wat haar broertje zag, al was het maar een enkel moment. Misschien moest ze haar ogen insmeren met zuur of met een schoonmaakmiddel onder het aanrecht, of misschien moest ze eenvoudigweg een minuut lang in de zon kijken. Dat had ze in een film gezien. Maar ze was bang om een andere wereld binnen te gaan, een wereld die ver aflag van de wereld van haar broertje, en die helemaal anders was. Dan zouden ze elkaar voor altijd kwijt zijn.

Het maakte in elk geval geen verschil, want haar broertje was zich geleidelijk steeds minder bewust van haar aanwezigheid. Wat ze ook tegen hem zei, hij mompelde de hele tijd zonder dat de glimlach van zijn gezicht verdween, en hij bewoog zijn hoofd alsof twee handen het vastpakten en alle kanten op draaiden, om links of rechts iets heel moois te zien. Dan lachte hij hardop, ja, het kon niet anders of haar broertje praatte met iemand anders in de blindenwereld. Ze tastten hun weg af en deden allerlei leuke dingen, want dat gebeurde er waarschijnlijk met je wanneer je die wereld binnenging. Je werd gelukkig, eerst gelukkig en dan sarcastisch, bijna tot bitterheid toe. Dat was wat er met haar broertje gebeurde als hij terugkeerde uit de blindenwereld. Zijn humeur was bedorven en hij kon niemand verdragen, alsof hij in die wereld ruzie met iemand had, die hem dwong te zeggen: ‘God geve dat je zusje blind wordt,’ zoals met Soe’da en de dochter van de conciërge was gebeurd. Dat was de enige manier waarop Soe’da tot zijn wereld zou kunnen doordringen.

Maar haar broertje maakte met niemand in de blindenwereld ruzie, hoewel Soe’da er alles aan deed om dat te laten gebeuren. Ze liet hem urenlang achter in het verlaten stenen huis. Als ze honger had, plukte ze de zoetste vruchten van de johannesbroodboom, waardoor haar broertje genoodzaakt was met zijn handen de honingbloemen van de wilde andijvie op de muren van het verlaten huis te zoeken en die op te eten. Wanneer hij haar riep om naar huis terug te gaan, omdat hij moe was, negeerde ze hem, zodat hij zich mompelend en geërgerd terugtrok in de blindenwereld. Maar al snel verscheen de glimlach weer op zijn gezicht.

Hendrick ter Brugghen, Slapende Mars, 1629 © Centraal Museum Utrecht Ernst Moritz

Op een dag, toen Soe’da probeerde te slapen op een grote stronk van de johannesbroodboom, kwam er een militaire jeep aanrijden met drie jongemannen erin. Ze bleven op een afstandje van het verlaten huis staan, niet vlakbij en niet veraf. De drie jongemannen stapten uit en begonnen te praten. Het leek alsof zich een wedstrijd afspeelde tussen twee van hen, waarbij de derde enkel toeschouwer, of misschien scheidsrechter was. De eerste zei tegen de tweede: ‘Nu moet je de jeep terugbrengen naar de barak waar je hem gestolen hebt. Dat heeft Nasir gevraagd. Dat is de boodschap die voor hem bezorgd moet worden.’

‘We hebben nog drie dagen voordat hij terug moet zijn. In die tijd kunnen we hem uit elkaar halen en de onderdelen verkopen. Dat is veel minder riskant. De boodschap van Nasir is al half aangekomen. Bovendien is het leger nu in staat van uiterste paraatheid.’

‘Dat is allemaal onzin,’ zei de scheidsrechter. ‘We kunnen het beste een kuil graven en de jeep verbergen.’

Maar terwijl ze de gereedschappen pakten die ze eerst uit een goed verstopte jute zak hadden gehaald, bereikte het gemompel van Soe’da’s broertje de oren van de jongens. Op dat moment merkte Soe’da dat er een stem was die haar riep en die ze tot zwijgen moest brengen. Ze zei: ‘Nee, hij roept me niet hier, maar daarginds, in zijn wereld.’ Ze zei deze woorden niet om te liegen, maar om haar waardigheid te behouden. Ze wilde de hele wereld laten weten dat ze daarginds was met haar broertje, in de blindenwereld, in de hoop dat dat ook werkelijk zou gebeuren. Een ander zou kunnen zeggen: Misschien was het omdat ze zichzelf ervan wilde overtuigen dat ze niets te maken had met zijn blindheid. Want daarover dacht Soe’da ook na. Ze wist niet dat haar broertje, met het verlies van zijn vermogen om kleuren te zien, zich geleidelijk van zijn persoonlijkheid begon los te maken. Ze begon aan de jongens uit te leggen hoe hij de dingen zag in zijn eigen ogen, en hoe hij nu te midden van die dingen leefde. De wereld die uit zijn blindheid voortkwam was fascinerend en aantrekkelijk. Mooier dan onze wereld. ‘Hoe weet je dat? Je broertje mompelt alleen maar wat,’ zei een van de jongens. Ze antwoordde: ‘Omdat hij altijd glimlacht.’ Maar terwijl ze deze woorden uitsprak, had ze het gevoel dat haar broertje haar in de steek liet. De jongens leken niet geïnteresseerd in wat ze zei. Ze vroegen haar hem te laten zwijgen, anders zouden zij het doen.

Op een dag ging Soe’da’s broer zoals gewoonlijk naar de vogelwinkel waar hij werkte (hopelijk zou hij zich het komend jaar kunnen inschrijven voor de speciale school voor blinden en slechtzienden). Als hij de vogels in zijn hand nam en ze met zijn vingers omsloot, was hij in staat te voelen hoe het met ze ging, of ze ziek waren of niet. Die dag was hij erg aardig tegen Soe’da en vertelde haar zelfs eindelijk iets over het geheim van zijn blindheid. Hij zei dat hij zijn vermogen om kleuren te zien had verkocht, omdat hij haar een wonderlijke kracht wilde schenken: ‘In het begin dacht ik: Ik verkoop mijn vermogen om zwart te zien, want dat had ik toch niet nodig. Toen deed ik hetzelfde met oranje, toen met geel en blauw, en de andere kleuren.’ De laatste kleur die hij had verkocht was groen. Dat deed hem veel verdriet, omdat hij van planten hield en omdat hij graag tuinman had willen worden om voor de planten te zorgen die er nog waren op deze wereld. Het deed hem net zoveel verdriet als hij naar de zee keek nadat hij de kleur van water had verkocht, want die was nu niet meer blauw, maar een mengsel van bruin met de kleur van rioolwater. Maar op die dag had de vrouw van zijn oom, die eigenaar van de vogelwinkel was, hem op een stoel bij de deur van de winkel laten plaatsnemen. Hij zei dat haar broer onophoudelijk onverstaanbaar mompelde, waardoor de klanten verbaasd opkeken. Blijkbaar was haar broer op een bepaald moment opgestaan van zijn stoel, maar hij was niet de winkel binnengelopen en ook niet naar huis teruggegaan.

Soe’da wachtte een dag, een paar dagen. Nadat ze hem een week had gezocht, belde de politie haar en haar ouders vanuit het bureau. Ze zetten een glas water voor haar neer, waarna er een politieman naar haar toe kwam die geen politiekleren droeg. Hij vroeg haar ouders de kamer te verlaten. Toen vertelde hij fluisterend, terwijl hij haar een zakdoekje gaf om haar tranen af te vegen, dat haar broer niet vermist was, maar naar de wereld van de blinden was gegaan. De politieman wist precies waar dat was, omdat deze wereld hier wreed en bitter was. Alles hier prikte, zelfs de wilde andijvieplanten. Als je er teveel van at werden ze giftig. ‘Giftig? Hoe kan dat?’ Omdat de politieman er verder niets over wist, zei hij nadat hij even had nagedacht: ‘Er zitten heel kleine stekeltjes aan, die je niet kunt zien.’ Soe’da vond de politieman niet aardig. Hij praatte zonder enige emotie, waarschijnlijk was hij meedogenloos. Dat gevoel kreeg ze toen er drie geboeide jongens werden binnengebracht. Soe’da herkende ze, hoewel hun gezichten zo opgezwollen waren dat het moeilijk was te zien waar hun ogen en mond waren. Het waren deze jongens die haar broer voor het laatst hadden gezien. De politieman zei: ‘Ze hebben ruzie met hem gekregen, maar hij heeft zich goed verweerd, zoals je ziet.’

Richard Mosse, The Enclave, 2013 © Richard Mosse

Soe’da had de bladeren van de wilde andijvie nooit eerder aangeraakt. Ze was nooit het verlaten stenen huis binnengegaan. Toen ze uiteindelijk besloot naar die plek te gaan, zag ze dat die opeens in een industriegebied was veranderd. Vanwege de rook en de stank van de vloeistoffen die er onophoudelijk uitkwamen, hadden de johannesbroodboom en de andere planten besloten te verwelken en op een andere plek weer op te groeien. Soe’da bleef nadenken over de wilde andijvie en zei bij zichzelf: ‘Ik wil weten hoe het kan dat je geprikt wordt zonder dat je het voelt.’ Ze zwierf door de stad, waar elke dag meer gebouwen kwamen, met ingangen, stemmen, straten, auto’s en sirenes. Ze zocht tevergeefs naar een blad wilde andijvie. Toen ze even uitrustte op een steen, zag ze opeens een wilde andijvieplant in een scheur in een muur, niet ver van haar vandaan. Misschien waren andijvie en wilde andijvie dezelfde plant en was het enige verschil dat de laatste bloemen had, als kamille. Ze stak haar hand voorzichtig uit en raakte de plant aan. Ze voelde dat iets haar prikte. Ze pakte het vast en trok het uit de plant. Het zag eruit als een draad. Zo kwam het dat ze, telkens wanneer iets in dit leven haar pijn deed, haar vingers ernaar uitstak en er een draad uit trok. Soms deed ze het bij de kinderen die haar uitscholden, of bij volwassenen die tegen haar aan duwden op de markt. Ze stak haar vingers uit naar hun mond en haalde er een draad uit, of ze stak haar hand uit naar hun vingers en haalde er een draad uit, die ze met zich meenam. Ze genoot ervan dat niemand merkte wat ze deed.  Maar ze zei bij zichzelf: ‘Misschien zullen ze het op een dag ontdekken.’ Ze wond de draden om haar vingers en liep rustig verder. Ze reageerde nooit op iemand en liet zich niet in een ruzie meeslepen. Ze herhaalde in haar hoofd: ‘Alles wat we in grote hoeveelheden consumeren wordt uiteindelijk giftig, ook mensen,’ zonder zich te herinneren waar ze dit had gehoord. Ze bleef draden trekken uit alles wat haar pijn deed, zelfs uit gevoelens. Draden uit gevoelens waren wit en zacht als zijde, maar ze waren altijd verstrengeld met draden van andere gevoelens, en het kostte Soe’da veel tijd ze uit elkaar te rafelen.

Jarenlang verzamelde Soe’da draden zonder dat ze wist waarvoor. Uiteindelijk deed ze niets anders. Ze besteedde het grootste deel van haar tijd aan nadenken over de beschrijving die haar broertje had gegeven van de blindenwereld, toe ze nog kind waren. Als ze zich afvroeg: ‘heeft hij dat echt tegen me gezegd?’ raakte ze met haar vinger haar hart aan en trok ze er de draad van twijfel uit, dan dacht ze daar niet meer over na. Als een vreemde probeerde met haar te praten, maakte ze een pop van een paar draden en gaf die aan hem. De wereld van de blinden was in elk geval groter dan onze wereld. Alles had er meer diepte, misschien omdat diepte uit de stem van de dingen kwam. Hoe dan ook, Soe’da bleef draden verzamelen en opsparen. Toen er niets meer in de wereld om haar heen was behalve leegte, een grote, eenzame leegte, besefte ze dat de tijd gekomen was om de wereld op te bouwen waarin haar broertje leefde.

Haar vingers werkten snel, snel maar ingespannen, dag en nacht. Ze sliep niet en ontwaakte niet. Ze at of dronk niet. Maar dat kon haar niets schelen. Ze wilde die wereld maken, alleen maar vanwege een vaag vermoeden dat, als ze daarmee klaar was, haar broertje zich daar zou bevinden. Maar omdat ze zo hard werkte, begonnen haar vingers pijn te doen. Toen de voltooiing van haar grote taak naderde, nam de pijn steeds meer toe. Uiteindelijk was de blindenwereld voltooid. Ze was uitgeput, maar ze dacht: ‘Het enige dat nog ontbreekt is een wilde andijvieplant. Weliswaar bestond de wilde andijvieplant niet in de blindenwereld, maar Soe’da wilde hem toch toevoegen als een teken aan haar broertje dat zij daar was. Ze haalde diep adem en zette zich aan het werk. Maar haar vingers slaagden er niet in de vorm van de plant te construeren. Toen ze het een tweede keer probeerde, begonnen haar vingers in de draden te dringen die met de beweging van haar handen verstrikt raakten, zodat zich vóór haar op de grond een klein hoopje draden vormde. Toen ze zich voorover boog om ze op te rapen met wat er nog over was van haar armen, loste de rest van haar lichaam op. Haar armen, haar romp en haar hoofd lieten een hoopje fijne, helder blauwe draden achter. Er welde een gevoel van puur verdriet in Soe’da op, en zoals ze had verwacht, verscheen op dat moment haar broertje. Hij was nog een klein kind, dat daar toevallig langsliep en zich vooroverboog om het hoopje mooie draden van de grond op te rapen. Hij bekeek het en zei: ‘Dit moeten slapeloosheidsdraden zijn.’ Hij zou ze gebruiken om de scheurtjes te repareren in de wereld die zijn zusje voor hem had gehaakt. Want die scheurtjes maakten hem ’s nachts bang. Hij was bang dat ze hem zouden opslokken en naar de echte wereld zouden terugbrengen waar hij vandaan kwam.

Beeldcredits

Richard Mosse, The Enclave, 2013, video-installatie © Richard Mosse

Richard Mosse, Madonna and Child, 2012 © Richard Mosse en Jack Shainman Gallery, New York

Hendrick ter Brugghen, Slapende Mars, 1629, olieverf op paneel, collectie Centraal Museum, Utrecht/donatie 1928 © Centraal Museum Utrecht/Ernst Moritz

Lees het vorige verhaal in deze serie

Twee ogenschijnlijk totaal verschillende collecties ontmoeten elkaar in Double Act: de monumentale video-installaties van de Amerikaanse familie Kramlich en 17de-eeuwse schilderwerken van het Centraal Museum. ILFU en het Centraal Museum voegen samen een extra laag aan de tentoonstelling toe. Diverse schrijvers en dichters lieten zich inspireren door het tijdloze van de schilderijen en het visuele verhaal van de videokunstenaars. Alexis de Roode schreef een verhaal bij een combinatie van een videowerk van Bruce Naumann en oud werk van Ter Brugghen.

Lees 'Wonderolie'

Double Act

Hoe verbeelden kunstenaars van toen en nu de menselijke emotie? In Double Act treffen videokunst en zeventiende-eeuwse schilderijen elkaar in een tentoonstelling die onderzoekt wat het betekent om mens te zijn. Te zien in het Centraal Museum van 8 okt 2022 — 15 jan 2023. Alle verhalen verschijnen ook in een speciaal magazine, te verkrijgen in het museum.

Bezoek de tentoonstelling
Double Act