'Levende wezens' van Iida Turpeinen gaat over veel meer dan uitsterven

Deze maand lezen we bij ILFU de debuutroman van de Finse schrijver Iida Turpeinen. Op vrijdagmiddag 28 maart schuift Turpeinen zelf aan voor een live gesprek bij ons op kantoor onder leiding van Nikki Dekker. Ter voorbereiding dook Dekker alvast in het boek en vond daar het verhaal van de grootste zeekoe die ooit op deze planeet leefde.

'Levende wezens' verschijnt op 20 maart bij uitgeverij de Geus. Bij aankoop van een Book Club ticket kan je ook direct het boek kopen. Bij aankoop ontvang je dan direct een pdf van het boek. Het fysieke exemplaar ontvang je ongeveer twee weken voor de Book Club.

Tags

ILFU Book Club Natuur
Foto: Susanna Kekkonen

Word ILFU Member en steun onze schrijvers en verhalen

Vertel me meer

Je hebt meerdere levens nodig om één zeekoe te begrijpen

In Levende wezens vertelt Iida Turpeinen het verhaal van één enkel lichaam dat talloze andere samenbrengt in een verhaal dat bijna drie eeuwen omvat, en de lezer van de Komandorski-eilanden tot aan Helsinki voert. Dat lichaam is het lichaam van een Stellerzeekoe. 

Als je al iets weet van de Stellerzeekoe, dan is het waarschijnlijk dat ze de grootste zeekoe was die ooit op deze planeet heeft geleefd en dat ze, binnen 28 jaar na haar ontdekking, door toedoen van de mens, uitstierf. Daarover gaat dit boek: het is een verhaal over uitsterving, met heel veel zijpaden: naar expedities, naar kolonisten, naar biologen, verzamelaars en curatoren. In een sobere en directe stijl ontvouwt zich het verhaal van verkenners die de wereld in kaart brengen. Een enkele keer laat Turpeinen de poëzie de volle loop, en dat is wanneer het nu eens niet over mensen gaat, maar wanneer ze het begin van de levende wezens (de evolutie) beschrijft, of vanuit het perspectief van de zeekoe haar einde schetst, wanneer Georg Wilhelm Steller de bemanning vraagt een exemplaar voor hem te doden, om mee te nemen naar huis.

Op dat punt zijn we al vele gruwelen in de Kamtsjatka-expeditie gepasseerd: het schip is gestrand op een onbewoond eiland in de Beringzee en de halve bemanning is overleden. Er is honger en kou geleden — maar daar vliegen we aan voorbij, want dit boek gaat niet over de gruwelen van scheurbuik of afgevroren vingers, maar over het wrede geweld van degenen die de natuur liefhebben.

Onlangs kreeg ik de kans om met Kees Moeliker, bioloog en curator van Het Natuurhistorisch in Rotterdam, te praten over biologie, taxidermie en aanverwante zaken. Ik vroeg hem wat ik altijd al heb willen weten: of het niet moeilijk is, als bioloog, om een dier (hoewel de wetenschapper zou zeggen: specimen) te doden voor jouw collectie.

‘Nee,’ antwoordde hij, ‘Het is een klein vogeltje, je drukt eenvoudigweg de borst in.’

Moeliker legde uit dat het voor hem nooit een echt dilemma was geweest: zo’n vogeltje kan, eenmaal dood, veel meer betekenen voor de wetenschap, en daarmee voor het voortleven van zijn soort, dan wanneer ‘ie nog zingend in de boom zit. Door de maaginhoud te bestuderen, konden ze er bijvoorbeeld eindelijk achterkomen wat deze specifieke vliegenvanger daadwerkelijk at.

Of zoals Turpeinen schrijft: ‘Een natuuronderzoeker bedient zich niet van vage gedachten of gevoelens, maar van een scherp mes en een onfeilbare snede’. (Overigens vertelde Kees Moeliker dat hij het nu niet meer zou doen; een dier doden voor de collectie. Het hoeft, anno 2025, ook niet meer. De technologie is nu zoveel verder dan in de jaren ’90, we kunnen een minuscuul vogelpoepje analyseren, daaruit afleiden wat de vogel eet én het DNA in beeld brengen.)

(Tekst gaat verder onder de aankondiging)

Kom naar onze ILFU Book club-avond over 'Levende wezens'

Ik moest er weer aan dat gesprek denken tijdens het lezen van dit boek. Op Beringeiland, vernoemd naar de kapitein die er schipbreuk leed en stierf, raakt Steller geconfronteerd met de pijnlijke tegenstelling tussen wat hij zelf denkt, en wat hij weet dat juist is. Hij ziet dat de otters op het eiland intelligent en zachtaardig zijn, speels als honden, en fantaseert erover een pup mee te nemen en op te voeden als huisdier — en dan kijkt hij weer om zich heen, en ziet tientallen gevilde otterkarkassen op het strand liggen rotten, aangevreten door meeuwen. De pels is goed goud waard, maar het vlees willen de zeelui niet eten, omdat het niet zo lekker is als dat van de zeekoe. Steller weet dat dit is hoe God het bedoeld heeft: de mens staat bovenaan de schepping en heerst over de wereld, de dieren bestaan enkel om hen te dienen. En toch. ’Steller observeert het gedrag van de wijfjes die hun nestje hebben verloren. Ze huilen als kleine kinderen en drogen helemaal uit van verdriet, waardoor hun vel zijn glans verliest en ze niet meer geschikt zijn als prooi.’

Maar de schrijver van dit boek is zelf geen natuuronderzoeker, ze kiest een perspectief dat eeuwen overziet, om te beschrijven hoe soort na soort uitsterft door de mens, die zich van geen kwaad bewust is, en dat ook niet wil worden. Met wrede feitelijkheid noteert Turpeinen hoe heerlijk het vlees van de reuzenschildpad was, schijnbaar het beste vlees dat de mens ooit had gegeten — en dat er daarom driehonderd jaar verstreken tussen de ontdekking en de classificatie van de soort: geen enkel exemplaar bereikte de universiteit intact.

Dit is een somber boek, laat daar geen misverstand over bestaan, maar in de somberte zit ook schoonheid verborgen. Dankzij dit boek ken ik het Finse woord voor uitsterving:

'In het Engels en het Frans zegt men dat een soort wordt ‘uitgeblust’, het leven brandt op, smeult en verdwijnt; in het Zweeds worden soorten met wortel en al uit de grond getrokken, uit de wereld gerukt zoals onkruid uit een tuin. Maar het Finse woord duidt niet op de dood van álle exemplaren van een soort; letterlijk betekent het ‘gebrek aan verwanten’. In het Fins wordt de laatste zeekoe die nog in zee drijft getroffen door een tekort aan familie, een gebrek aan soortgenoten. Er stroomt bloed door haar aderen en haar zenuwstelsel stuurt nog steeds zijn elektrische boodschappen naar de ledematen, maar terwijl ze de ene baai na de andere afzoekt naar soortgenoten, ervaart ze de grootst denkbare eenzaamheid: een gebrek aan familie. De soort is al aan haar eind gekomen nog voordat een kogel het oog van de laatste zeekoe doorboort.’

Uiteindelijk gaat Levende wezens dan ook over veel meer dan uitsterven; het gaat over degenen die nog op deze planeet ronddwalen, op zoek naar soortgenoten en hun plek in de wereld. Alle mensen in dit boek zijn op de een of andere manier verbonden aan die ene zeekoe die Georg Wilhelm Steller liet schieten voor zijn wetenschappelijke collectie: van Anna, een deftige echtgenote die zich langzaam ontpopt tot iemand die zich staande weet te houden in gure omstandigheden; Constance, een zogenaamd zwakzinnige vrouw die in de praktijk de curator van haar eigen natuurhistorische collectie blijkt; Hilda, die als enige vrouw van haar generatie werk vindt als zelfstandig wetenschappelijk tekenaar; en John, die eieren lijmt in een poging te herstellen wat hij in zijn vroegere leven vernielde. Het is een boek met vele levens, vele kantelpunten, die allemaal naar hetzelfde skelet terugverwijzen.

Eén zeekoe, die in naam van de wetenschap werd gedood, en die zoveel verhalen samenbrengt: daar kunnen we wel een avond lang over doorpraten: over verzamelen en over eten, over eieren en botten, over historische (non-)fictie en Scandinavische schrijfstijlen en natuurlijk over de relatie tussen de mens en andere dieren.